Ik zing tot jou alleen

Het zijn in maatpak gestoken entertainers met jongensachtige uitstraling. Ze zingen swingjazz en zijn mateloos populair: Michael Bublé, Harry Conninck Jr., Matt Dusk en Peter Cincotti.

Met zijn lage stem en zijn repertoirekeuze is hij eens een oude man in een jong lichaam genoemd. Vaker wordt hij tot Sinatra-kloon bestempeld. „Dat ik altijd maatpakken draag schijnt niet te mogen”, grijnst Matt Dusk (28) een uur voor zijn concert in het Theater a/d Parade in Den Bosch. „Ik doe dat niet voor de muziek, ik wil er gewoon goed uitzien. Ik houd van de Cary Grant-stijl en de meisjes ook.”

De zanger, een gepolijste verschijning met pretogen, is speciaal voor twee concerten, waaronder één bedrijfsfeest, uit Canada gekomen. In de kleedkamer met lichtjes rond de spiegel gorgelt de zanger uitvoerig zijn Scotch whisky. „Goed voor een beetje buzz in mijn hoofd.” Dan trekt hij zijn roze sokken op, herschikt zijn pochet en brengt hij snel de haren in model. Gespannen, maar met een brede lach posteert hij zich erna in de coulissen. Op het podium zet zijn kwintet net de eerste maten in. Even gluurt Dusk naar de volle zaal, ruim zevenhonderd man, en op de opgewekte popswingtonen van Back in Town dribbelt hij zingend het podium op. Op elk accent van de blazers, afkomstig van een muziektape, flitsen de lichten op.

Dusk kent alle bewegingen. Hij zwiert zijn been naar achter, knipt in zijn vinger, houdt het hoofd schuin en wijst naar de zaal. Met een knipoog kondigt hij ‘de regels’ van de avond aan: „Dans gerust, fotografeer gerust. Hoe meer, hoe beter. Maak me vooral bekend.” Op een avond als dit laat Dusk weinig steken vallen. In de anderhalf uur in het theater is hij op de juiste momenten charmant en innemend, zingt hij vol overgave en werkt zich geroutineerd door zijn programma van klassiekers (Love For Sale, Mack the Knife, Besamo Mucho, One More for the Road) en eigen poppy swingversies.

De met zoete crooner-imago opgetuigde Matt Dusk was voorbestemd de verpakkingsfabriek van zijn vader over te nemen. Al op zijn zesde deed hij er kleine karweitjes en toen hij zestien was runde hij nagenoeg het bedrijf. Een studie Economie aan de York Universiteit sloot aan op de toekomstige overname van zijn vaders zaak, maar na een jaar gaf hij er de brui aan. De muziek trok. Van kindsbeen af zong hij bij Toronto’s bekende St.Michael’s Koorschool. Op een concerttournee introduceerde een vriend hem tot muziek van Sinatra, Dean Martin en Nat King Cole. Een openbaring. Aanvankelijk imiteerde hij de zangers nadrukkelijk overdreven, met vette vingerknips. Maar dat werd hem snel afgeleerd op de muziekopleiding aan York. Bijvoorbeeld door de naamgever van zijn muziekbeurs, jazzpianist Oscar Peterson. Hij adviseerde Dusk zijn kunst altijd op niveau te houden.

Van dozenmaker tot crooner dus – Dusk heeft nu drie albums gemaakt, Two Shots (2004), het kerstalbum Peace On Earth (2005) en Back in Town (2006) met een 58-koppig orkest. Dat de twintiger zijn kunsten afkeek van illustere voorgangers als Frank Sinatra interesseert zijn fans niets. Dusk neemt hen mee terug in de tijd met een gelikte swing, waarin melancholie en herkenning de belangrijkste smaakmakers zijn. Video’s van Sinatra en de zijnen bestudeerde hij nauwkeurig, geeft hij zonder meer toe, voor essentiële zaken als podiumpresentatie. Net als Paul Anka probeert hij ook te bulken van het zelfvertrouwen. Dusk: „Het draait allemaal om communicatie. Sinatra verstond de kunst iedereen in het publiek erbij te betrekken. Jíj, jij maar ook jij daaráchter. Ik zie jóu. Ik zíng tot jou alleen.”

Matt Dusk, Michael Bublé, Peter Cincotti, Jamie Cullum en de Nederlandse Wouter Hamel: ze bewegen zich stuk voor stuk in de in 2003 door Norah Jones vergrootte markt (8 Grammy’s) met jazzy, makkelijk in het gehoor liggende muziek. De nieuwe generatie crooners heeft het lichte, populaire jazzgenre met standards of evergreens, die hun oorsprong vinden in Amerikaanse musicals, revues en films, meestal leren kennen via hun ouders en grootouders. Met hun platencollectie introduceerden zij roemruchte interpretators als de Rat Pack – het zowel exclusieve als dubieuze artiestenclubje van Frank Sinatra met Sammy Davis jr, Dean Martin en Nat King Cole, en zangeressen als Ella Fitzgerald en Billie Holiday – groot vertolksters van de jazzklassieken.

Crooners op leeftijd

als Tony Bennett en Paul Anka gelden als voorbeelden. Ze zijn nog steeds live te bewonderen. Deze veteranen verrichtten zelfs wat muzikaal coachwerk. Maar los van hen is er één naam die altijd valt onder de jonge crooners: Harry Connick Jr. Groot is de bewondering voor de verrichtingen van de jazzster.

Sinds de jaren negentig populariseert Harry Connick Jr. (40) swingjazz. Hij won Jazz Vocal Grammy’s voor zijn jazzsoundtrack van de film When Harry Met Sally (1989) en de opvolger We Are In Love (1990). Ook Songs I Heard (2001) kreeg een Grammy voor Best Tradional Pop Vocal Album. Eigenlijk is Connick bijna te mooi om waar te zijn: niet alleen is hij een goede arrangeur, hij is ook een begenadigde pianist en prima zanger. Naast zijn knappe voorkomen is hij acteur in diverse Amerikaanse sitcoms en films.

Tegenwoordig is hij ook heel serieus actief op het jazzlabel van Branford Marsalis als instrumentaal solist. Connick, die als eerste de bijnaam ‘Young Sinatra’ ten deel viel, groeide uit tot veelzijdig entertainer, die via uitstapjes in de New Orleans-funk en filmmuziek steeds weer terugkwam bij de traditionele jazzstandards. Connick geeft zondag een concert in Den Haag in het kader van zijn ‘Oh My New Orleans’ tournee.

„Sinatra, Anka, Tormé en Bennett spreken niet meer tot twintigers van nu. Connick Jr. zette voor ons de deur open en herintroduceerde het genre”, aldus Matt Dusk.

De New Yorkse Peter Cincotti (24) is op zijn zevende jaar door Connick Jr. ontdekt. „Hij had een bandje met mijn pianospel gehoord en wilde me leren kennen. Hij riep mij op het podium in Atlantic City en liet me spelen. Dat beviel hem wel”, vertelt Cincotti. Hij is in Amsterdam om zijn komende nieuwe album East of Angel Town te promoten. Het eerste dat Cincotti vraagt als hij aankomt in het hotel is een keyboard voor op zijn kamer. Van de nieuwe lichting jazzentertainers is hij de jongste, maar samen met zijn Britse vakbroeder Jamie Cullum, die tegenwoordig ook alles zelf schrijft en afstand neemt van het American Songbook-repertoire, is hij ook het meest musicus. Al een paar jaren heeft hij een kwintet en hij begeleidt zichzelf altijd op de piano – net als Connick Jr. Cincotti: „Harry gaf mij een kans, dat vergeet ik nooit. Maar ik heb mijzelf nooit naar hem gemodelleerd.”

Cincotti, ook weer een jongen met goed verzorgd uiterlijk, begon op zijn negende te componeren en legde zich als tiener toe op piano, zang, componeren en arrangeren. The New York Times noemde hem een van de meest veelbelovend zanger/pianisten van zijn generatie. In 2002 stond hij als jongste soloartiest ooit (19 jaar) op 1 in de Billboard Traditional Jazz Charts. Aanvankelijk beet hij zich vast in de muziek van tóen. „Ik ben dol op het Great American Songbook. Die schrijfstijl is puur vakmanschap die me inspireert. De verzen, de vormen van de songs, de structuren, ze zitten in mijn hoofd als ik mijn nummers maak. Het is mijn maatstaf.” Na twee albums met jazz schuift hij op richting zelfgeschreven popsongs. „Ik heb veel geschreven tijdens mijn vorige tournee tijdens soundchecks en repetities. Ik was erg nieuwsgierig hoe dat zou gaan uitpakken, maar ik ben niet bewust gaan zitten voor een popalbum. Dat is onderweg ontstaan.”

Dat hij van koers veranderde stuit op weerstand, merkt Cincotti. Zo kostte het hem zijn contract bij jazzlabel Concord. „Houd het bij jazz is me dikwijls geadviseerd. Maar de muziek nam me mee een andere kant op. Ik sluit jazz niet uit, maar verken nu graag andere richtingen op zoek naar een eigen herkenbaar geluid.” Hij hoopt zijn muziek meer karakter geven. „Iemand als Ray Charles bewonder ik. Hij kon door alle genres heen spelen en hoe dan ook klinken als zichzelf. Dat is dan ook mijn doel in de muziek: ik wil nieuwe muziek blijven ontdekken en niet in een genre blijven hangen. Ik heb mij toch nooit als een crooner beschouwd.”

Met zijn nieuwe popjazzalbum hijgt Cincotti hete adem in de nek van de Canadese crooner Michael Bublé (32) uit Vancouver. Niet alleen zitten ze nu op hetzelfde platenlabel (Warner), maar beiden werken met superproducer en componist David Foster. Hij is de man van de grote producties, met geladen powerballads en georkestreerde pop voor sterren als Celine Dion, Barbra Streisand, Nathalie Cole en Whitney Houston. Met zijn ontdekking Michael Bublé (spreek uit: Boe-bléé) volgt Foster de swingtrend.

Zijn muzikale opvoeding kreeg Michael Bublé van zijn grootvader, die hem liet luisteren naar Sinatra, Dean Martin, Ray Charles en Elvis Presley. Ook regelde hij Bublé’s eerste gigs in hotels, winkelcentra en bars. Jaren werkte de jongen in de marge aan zijn zangcarrière, tot hij als bruiloftszanger in contact kwam met Foster, die hem hielp aan een platencontract en op maat gesneden, gladjes aandoende retroswing met jongensachtige bravoure.

Bublé, zoon van een visserman, is nu de grootste superster in de hausse aan zangers met American Songbook-repertoire. Hij is een in maatpak gestoken entertainer met een wat kwajongensachtige uitstraling. Hij verkocht miljoenen van de albums It’s Time en Call Me Irresponsible en treedt op in de grootste zalen.

Net als Matt Dusk was hij laatst ook in het land. In de Rotterdamse Ahoy’ schotelde hij zijn keurig zittende publiek een in de puntjes geregisseerde show met een bigband voor. Opmerkelijk was zijn nonchalante aanpak: hij werkte zich uitermate losjes door zijn repertoire, dat grotendeels bestaat uit bekende, opnieuw gearrangeerde stukken en eigen popsongs. Theater en gein overheersten, en hij kwam weg met een grote mond tegen een gillende bezoeker op de tribune: „Shut up, ik val jou toch ook niet lastig in jouw coffeeshop.”

En toch werd er gezwijmeld

bij Sinatra’s klassieke barkrukvertolkingen, dansbewegingen à la Elvis Presley en de bravourepraatjes in Vegasstijl die hij leerde als protegé van Paul Anka. Hoe dat kwam? Door zijn warme buigzame stem. Die heeft klasse. Als Bublé zijn ego binnenboord houdt, komen er vertolkingen voorbij die een nostalgische genoegen oproepen.

Al is hij daar niet echt op uit. „Ik ben van 1975, ik ben eerlijk gezegd nostalgischer over Pacman en Miami Vice. Ik probeer niet iemand anders uit vervlogen tijden te zijn. Het gaat me om de tijdloze kwaliteit van de songs. Ik moderniseer de klassiekers en bouw een hybride vorm van pop en jazz. Door de standards een popinjectie te geven creëren we een frisse nieuwe song.”

Hij wordt niet graag vergeleken met de anderen. „Door ons jonge crooners over één kam te scheren, frustreren jullie ons. Juist dan willen wij rebelleren en laten zien hoe anders we van elkaar zijn. Uitvoerders zijn we allemaal, maar met onze eigen songs laten we onszelf zien.”

Dat de uitvoering ervan gepaard gaat met gemakzucht is zonde. Maar op dit repertoire komt altijd publiek af. „Mijn sterkste punt zijn live-shows”, zegt Bublé. „Zoveel mensen bij elkaar, dat pompt me op. Geloof me, ik kan je voor de gek houden in de studio. Ik heb de beste producers en muzikanten, met hen kan ik alles briljant laten klinken. Maar je show, die moet staan.”

Nu zijn er de hits. En mochten die uitblijven, dan rest altijd nog Las Vegas, waar crooners tot in de lengte der dagen grote hotelshows kunnen geven. Daarnaast blijft de catalogus van Amerikaanse klassiekers met meer dan 6000 songs altijd beschikbaar.

Crooner Matt Dusk wacht nog een andere optie: „Het kostte mijn vader jaren mijn zangcarrière te accepteren. Nog steeds is hij niet met pensioen, voor het geval ik mij toch nog bedenk en de zaak wil overnemen.”

Harry Connick Jr., zondag 28 okt, World Forum Theater, Den Haag.Michael Bublé, maandag 5 nov, Sportpaleis, Antwerpen.