Hoesten

De winter is nog niet begonnen – pas op 22 december – of ‘het’ heerst alweer alsof ‘het’ nooit is weggeweest. Overal om me heen blaffende mensen die me hulpeloos met hun tranende ogen aankijken. „Ik hoest, dus ik besta nog”, lijken ze te willen zeggen. Het antwoord zou kunnen zijn: „Jij hoest, dus jij besmet”, maar dat zeg je niet – uit solidariteit.

Want wie niet verkouden is, is het pas geweest of weet dat hij het morgen ook kan zijn.

Zelfs mijn kat is opeens een getalenteerde hoester, ze klinkt als een gepensioneerde mijnwerker met longemfyseem. Ze is er zelf nog een beetje verbaasd over, maar dat zal spoedig voorbij zijn.

Hoesten wordt voor je het beseft een tweede natuur, de hoester weet zelf niet meer dát hij hoest. Voor hem is het hoesten een soort praten in zichzelf geworden. Zelfs in het Concertgebouw waant hij zich onbespied en ongehoord, zodat Alfred Brendel onlangs vanaf het podium in Amsterdam tegen hem en zijn medehoesters moest zeggen: „Als u niet stopt met hoesten, stop ik met spelen.”

Zelf mocht ik me een poosje verheugen in het bezit van de zogeheten kriebelhoest. Dit is een reëel bestaand hoestfenomeen, dat dan ook terecht een plaatsje in de Van Dale heeft gekregen, zij het op niet erg verhelderende wijze: „Hoest veroorzaakt door kriebel in de keel.”

Deze beschrijving blijft te veel aan de oppervlakte. Bij een jubelteen kun je toch ook niet volstaan met: „Teen die jubelt”?

De kriebelhoest verdient een serieuzere benadering. Hij is in zekere zin te vergelijken met de branden die deze dagen in Californië woeden: op de meest onverwachte en ongelegen momenten en plaatsen steekt hij plotseling de kop op met een allesverzengende natuurkracht. Het slachtoffer denkt nog even dat hij de vijand kan bestrijden met een slokje casu quo emmertje water, maar algauw laat hij het hoofd ontredderd hangen.

Wat de kriebelhoester vooral niet moet denken, is: ga ik straks kriebelhoesten?

In dat geval is zijn ondergang nabij. Hij heeft alleen al met die gedachte zijn vijand, sluimerend in het diepst van zijn bronchiën, wakker geschud. De opmars van het kwaad kan beginnen, de keel zal veranderen in één grote, helse hinderlaag.

De potentiële hoester doet er beter aan zich te laten afleiden door allerlei aardse verschijnselen. Alles is beter dan het toelaten van de dwanggedachte aan de hoest. Maar is het kenmerk van de dwanggedachte nu niet juist de onbedwingbaarheid ervan? Zeker – dat maakt de positie van de kriebelhoester ook zo hachelijk.

Elke keer dat ik een aanval van kriebelhoest krijg, denk ik: hoe zou de koningin, bijvoorbeeld op bezoek zijnde bij president Bush, dat nou oplossen als zij (of hij!) het krijgt? Zij mag alleen maar hopen dat de ander haar met enig gevoel voor humor uit de benarde situatie redt.

Zo had ik onlangs tijdens een aanval het geluk dat een vriendelijke dame mij toevoegde: „Je klinkt al bijna als Willem Frederik Hermans.”

Ik had er vrede mee – je kunt met slechtere schrijvers worden vergeleken.

Het is bovendien een hele troost: als je iemand als schrijver niet kunt evenaren, kun je het nog altijd als hoester proberen.