Het klootjesvolk had de toekomst

Rafael Chirbes: Oude vrienden. Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman. Menken Kasander & Wigman, 249 blz. € 24,50

Alles zou anders worden en de toekomst zou glanzend zijn. Daarom sloten zij zich tegen het eind van de jaren zestig aaneen in een communistische cel. Ze waren van her en der gekomen en afkomstig uit verschillende sociale lagen; het zou er allemaal niet meer toe doen. Om ideeën ging het, en om rechtvaardigheid. En dus allereerst om de strijd tegen het franquistische regime in zijn nadagen. Niets zou meer zijn zoals het was.

In zijn roman Oude vrienden ziet de Spaanse schrijver Rafael Chirbes in een mengsel van nostalgie, bitterheid en ontgoocheling terug op de illusies van een generatie die ook de zijne is. Verpersoonlijkt zijn ze in het vriendengroepje dat rond de millenniumwisseling bijeenkomt in een Madrileens restaurant om te vieren dat zij allemaal ‘zoveel jaar geleden waren opgepakt’.

Dertig jaar is intussen verstreken en stuk voor stuk lopen de ‘oude vrienden’ tegen de zestig. Niet één van hen is ongeschonden tevoorschijn gekomen uit de duizelingwekkende ontwikkeling die Spanje in die tijd heeft doorgemaakt – economisch, politiek, moreel. Slechts één van de huwelijken die zij (grotendeels onderling) zijn aangegaan heeft de tijd overleefd, en ook dat wordt voornamelijk door financiële belangen bijeengehouden.

Zeven stemmen komen in Oude vrienden afwisselend aan het woord: over henzelf, over elkaar, over hun teleurstellingen in elkaar, in hun idealen en in hun levensvervulling. Carlos durft zichzelf na één gepubliceerde roman en verscheidene in de la wegkwijnende manuscripten al bijna geen schrijver meer te noemen en tracht – teruggekeerd naar zijn geboortedorp aan de kust – vakantieappartementen te slijten aan argeloze buitenlanders. Demeterio, seropositief en als schilder even mislukt als Carlos als schrijver, houdt zich in het leven als nachtwaker in één van de Madrileense kantoortorens. En de ooit oogverblindende Amalia leeft, na een kortstondige carrière in de Brusselse eurocratie, in een neurotisch egotisme dat het nooit lang kan stellen zonder psychiater.

Met de winnaars is het nauwelijks beter gesteld. Pedrito heeft zich van metselaarsknecht weten op te werken tot bouwondernemer, maar voelt zich in de wereld van het grote geld nog altijd een geminachte outsider. Guzmán is nog steeds de grote, zwetende, zwart bebaarde en goed gebekte revolutionair die hij ooit was, maar zijn gauchisme is sinds zijn huwelijk met een rijke galeriehoudster een goedkope pose geworden – en een reden voor diepe rancune bij de ‘oude vrienden’ die geen nagel hebben om hun kont te krabben.

En dan zijn er degenen die niet hebben willen komen omdat er inmiddels te veel tussen hen gebeurd is, omdat zij niet herinnerd willen worden aan een jeugd waarover iedereen inmiddels uit schaamte liever zwijgt, of omdat zij dood zijn of vertrokken. De mooie, etherische Elisa stierf op jonge leeftijd aan kanker – door Chribes aangrijpend verteld via de herinneringen van een overlevende geliefde. De lesbische Magda sloot haar café nadat het bestaan haar door een jongere generatie lesbo’s onmogelijk was gemaakt, en vertrok naar de kust van Galicië. En de berustende Rita heeft als journaliste van een glossy magazine een nieuw leven opgebouwd: burgerlijk geordend rond de kleine levensgenoegens die zij vroeger benijdde in het klootjesvolk: ‘Zij, en niet wij, waren de toekomst, zij waren de speerpunt van wat later kwam, zij leidden het leven van nieuwe stedelingen dat het normale leven zou worden.’

Met Oude vrienden sluit Chirbes de trilogie af die met zijn roman De lange mars begon en met De val van Madrid werd voortgezet. De opkomst en ondergang van een opstandige generatie wordt er vanuit drie perspectieven in belicht, om te beginnen vanuit de wortels. De lange mars vertelt de jeugd van – ook hier – zeven figuren met een radicaal verschillende achtergrond, die elkaar ten slotte ontmoeten in een revolutionaire studentengroep.

In De val van Madrid, spelend op de dag vóór de dood van Franco, lijkt de hele wereld de adem in te houden, voordat er iets gaat beginnen waarvan niemand de afloop durft te voorspellen. En in dit derde deel kijkt Chirbes achterom en sluit daarmee de cyclus op magistraal symmetrische wijze af. Toekomst, heden en verleden spiegelen elkaar paradoxaal als aanvang, midden en slot.

Even prachtig als de vorm van deze trilogie is de literaire beheersing waarmee Chirbes zijn meesterschap bevestigt. Caleidoscopisch maar voortdurend beheerst, raakt deze roman aan de diepste lagen van een mensenleven, in alle facetten die dat in zich draagt. Ook al overheersen spijt, wrok en ontgoocheling bij ieder van degenen die Chirbes aan het woord laat, nergens wordt de vertelling larmoyant of zelfs maar gechargeerd. Steeds verschieten de personages van kleur, al naar gelang degene die aan het woord is.

Daarmee bereikt Chirbes niet alleen een verbluffende subtiliteit in de schepping van zijn personages en de analyse van hun fragiele onderlinge verhoudingen. Hij doet dat ook in een prachtige taal, die door Eugenie Schoolderman op schitterende wijze in het Nederlands is omgezet. Rijk en ritmisch, met een woordkeus en tempo die volmaakt op de aan het woord zijnde stem zijn toegesneden, rijgen de zinnen zich aaneen tot een indrukwekkend menselijk panorama, dat tegelijk het gewetensonderzoek van een generatie is.