Het kapitaal buitenspel

Sportconflicten worden uitgevochten voor het Europees Hof van Justitie.

Nederland wil dat dit verandert.

Na de laatste wedstrijd van het Nederlands elftal keerden de voetballers Robin van Persie, Arjen Robben en Rafael van der Vaart geblesseerd terug bij hun clubs. Die konden de aanvallers afgelopen week niet opstellen, terwijl de miljoenensalarissen van de spelers natuurlijk wel doorbetaald moeten worden.

Over een soortgelijke situatie vechten de Belgische voetbalclub Charleroi en de wereldvoetbalbond FIFA voor het Europees Hof van Justitie een rechtszaak uit. Charleroi-middenvelder Abdelmajid Oulmers raakte in november 2004 zwaar geblesseerd tijdens een wedstrijd van het Marokkaanse nationale team. Charleroi eist nu een schadevergoeding van de FIFA, de organisator van internationale duels.

De club wordt hierin gesteund door de belangenorganisatie van Europa’s achttien grootste clubs, de G-14. Het Europees Hof van Justitie moet nu bepalen of de FIFA-regel die voetbalclubs verplicht hun spelers af te staan aan nationale elftallen, niet een vorm is van machtsmisbruik of vrij verkeer van personen belemmert. Dan zou de regel in strijd zijn met Europese regelgeving en verboden worden.

Precies aan deze gang van zaken in de Europese sportwereld wil Nederland een eind maken. Staatssecretaris Jet Bussemaker (Sport, PvdA) wil dat de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, meer duidelijkheid geeft over de positie van sport binnen de Europese Unie. Zij vindt de huidige zogenoemde zaak-per-zaak behandeling van sportconflicten voor het Europees Hof, zoals de zaak-Bosman (zie inzet), ongewenst.

Gisteren vroeg de staatssecretaris, samen met haar Franse collega Laporte, tijdens overleg met sportministers uit de EU-lidstaten in Lissabon, aandacht voor het Nederlandse standpunt dat is verwerkt tot een zogeheten ‘sportmemorandum’. Deze brief werd volgens de bewindsvrouw met instemming ontvangen.

Bussemaker vertelt, aan de telefoon vanuit Portugal, dat de door haar gewenste maatregelen „ongewenste ontwikkelingen” in de sport moeten voorkomen. „Ik hoop dat bij een Nederlandse club in de toekomst ook nog Nederlandse voetballers spelen”, verklaart Bussemaker. „Want een Nederlandse sportclub is geen internationale organisatie, maar een onderdeel van de Nederlandse maatschappij.”

Met het uitgebrachte sportmemorandum zit Nederland op de lijn van Michel Platini, voorzitter van de Europese voetbalbond UEFA. De oud-topvoetballer voert al lang een lobby voor meer autonomie voor de sportbonden. De Europese Commissie en de G-14 zijn hier juist tegen. PSV en Ajax, lid van deze belangenvereniging, wilden gisteren niet reageren op het Nederlandse memorandum.

De staatssecretaris legt uit dat zij op regels hoopt over onder meer de samenstelling van nationale teams met de beste voetballers, het opleiden van jonge spelers en het verdelen van tv-gelden. Het eerste punt wordt al aangevochten in de zaak-Oulmers, die grote gevolgen zou kunnen hebben voor het interlandvoetbal.

De wereldvoetbalbond FIFA wijst in het conflict met Charleroi op het feit dat sportbonden in armere voetballanden geen geld hebben om clubs te compenseren en dus hun sterren niet meer zouden selecteren. De G-14 beschuldigt de FIFA van het beschermen van de eigen portemonnee. Het wereldkampioenschap voetbal bezorgde de FIFA vorig jaar een enorme winst, terwijl de namen van de sterspelers van het WK voor het merendeel terug te vinden zijn in de salarisadministraties van Europese topclubs.

Bussemaker schrijft in het sportmemorandum dat zij de jeugdopleidingen van voetbalclubs wil beschermen en stimuleren. Dit komt ook voor in de plannen van de UEFA. Met de zogenoemde ‘zelf opgeleide spelers’-regel eist de UEFA dit seizoen dat clubs tijdens internationale wedstrijden zes spelers uit het eigen land in de selectie hebben. Volgend jaar moeten dat er acht zijn. „Stel dat een club deze regel zou aanvechten voor het Hof”, zegt Bussemaker. Sportrechtdeskundigen hebben namelijk verklaard dat dit mogelijk zou kunnen via een beroep op het principe van vrij verkeer van personen binnen de EU. De staatssecretaris vervolgt: „Dat zou jaren duren en al die tijd zouden clubs door deze onzekerheid niet investeren in hun jeugdopleiding. Dat wil ik voorkomen en daarom moet sport beschermd worden tegen de regels van de interne markt.”

Daarbij speelt ook mee, vertelt de staatssecretaris, dat sport leeft bij de bevolking. „Als we laten zien dat de EU sport wil beschermen, creëren we een hoop draagvlak.”