Het fatsoen is er om weg te redeneren

Het ruige leven in ‘Het dorp Stepantsjikovo’ wijkt nauwelijks af van dat in een huidige Moskouse buitenwijk. En het fatsoen evenmin.

Wie op een doordeweekse dag door een Moskouse woonwijk loopt, maakt een redelijke kans in een situatie te belanden die zo uit een roman van Dostojevski kan komen. Dronkelappen die elkaar met een fles of een bijl te lijf gaan om daarna bewusteloos in de goot te vallen, bedelende vrouwtjes die je aankijken alsof ze je willen verscheuren als je ze geen 10 roebelbiljet toestopt, hysterisch biddende kantoorklerken die om vergiffenis vragen voor hun kwalijke zaakjes voordat ze naar hun werk gaan – ze zijn een moderne variant van het Rusland van de gewone man zoals je dat ook van Dostojevski kent. Ze laten het ruige Russische leven zien met zijn soms maximalistische excessen, waarin zonde en vergiffenis vaste onderdelen zijn. Dostojevski doet het niet voor niets zo goed in de christelijke cultuur van het Westen.

Ook in Dostojevski’s vroege roman Het dorp Stepantsjikovo komen die thema’s voor, al is het decor van de grote stad hier verruild voor dat van een landgoed in de provincie, waar een adellijke familie met klaplopende aanhang woont. In de Leesclub wordt het boek als een van Dostojevski’s lichtere en meer komische gepresenteerd. En dat is het ook, want het wemelt er van de humoristische personages, hoe akelig en onsympathiek ze soms ook zijn. Het boek wijkt dan ook enigszins af van het overige werk van Dostojevski, waarin sombere, humorloze hysterici bijna altijd de overhand hebben en de zon nooit lijkt te schijnen.

Zo weet de landheer Jegor Iljitsj Rostanjev je met zijn sullige goedheid niet alleen te vertederen en te ergeren, maar maakt hij je ook aan het lachen. Ik ken niemand die zo vaak zijn verontschuldigingen aanbiedt, zo bang is om mensen te kwetsen en zo herhaaldelijk op zijn voornemens terugkomt als hij. Hij is vooral lachwekkend dankzij het slechte en al even vermakelijke karakter van Foma Fomitsj, een charismatische huisfilosoof die zich als een soort Raspoetin bij de moeder van Jegor Iljitsj heeft ingelikt. Het enige streven van deze charlatan is dat hij de baas wil spelen op het landgoed. Dankzij zijn hysterische, theatrale karakter lukt hem dat tot op de laatste bladzijden van het boek. Behalve het personage van Peredonov uit Fjodor Sologoebs magistrale treiterroman Een kleine demon kent de klassieke Russische literatuur geen akeliger mens dan Foma Fomitsj.

Maar ook zonder Foma Fomitsj in zijn buurt weet Jegor Iljitsj je met zijn goedheid aan het lachen te maken. Zoals in de passage waarin een lakei met een rare naam zich Oeljanov (lansier) wil laten noemen. Jegor Iljitsj zegt dan tegen die lakei: „Drie dagen heb je rondgelopen als ‘Oeljanov’. Je hebt alle muren, alle vensterbanken in het prieel bedorven en volgeknoeid met potloodgekrabbel: ‘Oeljanov’. We hebben het immers laten oververven.”

Met zulke vaderlijke woorden uit de mond van een landheer heb je even niet het gevoel een boek van Dostojevski te lezen, maar eerder een verhaal van Tsjechov of Gogol. Hier is de lichte Dostojevski aan het woord, met oog voor het subtiele, niet die van het grote emotionele gebaar.

Bij het beschrijven van de goede karaktereigenschappen van Jegor Iljitsj laat Dostojevski zich helaas ook van zijn minder briljante kant kant zien. Hij weet namelijk van geen ophouden en lijkt aan twee bladzijden niet genoeg te hebben om Jegor Iljitsj als goed mens neer te zetten. Tsjechov zou het met twee zinnen uit Dostojevski’s betoog hebben gedaan, zoals: ‘Inderdaad was hij slap en zelfs veel te week van karakter; doch niet uit gebrek aan vastberadenheid, maar uit angst te krenken, wreed te zijn, uit buitengewone eerbied voor zijn naaste en voor de mens in het algemeen’.

Vermakelijk zijn ook de bijfiguren in Het dorp Stepantsjikovo . Zoals de conservatieve landheer Stepan Bachtsjejev, een buurman van Jegor Iljitsj. Hij houdt een schitterende tirade tegen de pogingen van Foma Fomitsj om de boeren en lakeien van Jegor Iljitsj Frans te leren. ‘Want waarom moet een lijfeigene Frans leren, vraag ik u? Trouwens, waarom moeten in ’t algemeen onze landgenoten Frans leren, waarom? Om flauwe praatjes tegen de meisjes te verkopen onder de mazurka en om andermans vrouwen het hoofd op hol te brengen? Zedenbederf – en anders niet!’ Wie bedenkt dat de hoge Russische adel in die tijd naar napoleontisch voorbeeld Frans sprak, maar dat de snobistische lagere adel in de provincie zich in die taal amper verstaanbaar kon maken, kan om zulke uitspraken schuddebuiken van het lachen.

Vervolgens gaat Bachtsjejev tekeer tegen de geleerden, die in de ogen van de conservatieve landheer vrijmetselaars en liberalen zijn: ‘Jullie zijn allemaal balletdansers, met jullie geleerderigheid! Jullie doen niets liever dan op één been huppelen en je laten bewonderen’.

Ook het personage van de klaploper Mizintsjikov werkt op de lachspieren. Hij wil de schatrijke en hysterische Anna Ivanovna schaken, met haar te trouwen en haar bij een ‘net, maar arm gezin’ onderbrengen om er met haar geld vandoor te kunnen gaan. ‘Denkt u zich eens in, houdt u rekening met haar aard: welnu, is zij in staat echtgenote te wezen en samen met een man te wonen?’ Het is precies dat wegredeneren van het fatsoen dat je vandaag de dag in Rusland nog altijd tegenkomt. Tot in de hoogste kringen.