Herman Finkers terug: ‘Vreemd, ik heb nóóit kanker’

Voorstelling: Na de pauze, door Herman Finkers. Gezien: 25/10 in Stadsschouwburg, Nijmegen. Tournee t/m 16/6. Inl. www.finkers.nl

De pauze waarvan Herman Finkers rept in zijn nieuwe programma Na de pauze, heeft zeven jaar geduurd. Hij stopte destijds „omdat ik moe werd van mijn humor” en kreeg vervolgens te horen dat hij leukemie onder de leden heeft. Maar nu is hij toch weer op tournee. Met een voorstelling die hij – buiten beeld – opent met het zeggen van een Twentse vertaling van psalm 131, het afsluitende amen, en dan: „Mag ik van tafel? Ja? Ik kan weer gaan spelen? Mooi!” En dat is het sein voor zijn opkomst, de eerste na zeven jaar.

Finkers’ comebackvoorstelling, die gisteravond in première ging, is opgebouwd als een terugblik op die afwezige jaren. In dat kader passen nog steeds de ontwapenende grappen waarmee hij „als komisch persoon” altijd al de lachers op zijn hand had. Maar het zijn er nu veel minder dan voorheen. Het voormalige kwinkslagenkanon raakt af en toe nog wel in een grappige stroomversnelling – bijvoorbeeld in een buitengewoon geestige conference over de verschillen tussen man en vrouw – maar lang zo vaak niet meer. Hij geeft zichzelf nu ook de ruimte voor praatjes die het voornamelijk van zijn charme moeten hebben, en voor liedjes die in deze show niet allemaal om te lachen zijn. Er zitten lieftallige liefdesliedjes tussen (al duiken zelfs daarin toch nog rake grappen op) en er is een fijnzinnige ode aan zijn overleden vriend Willem Wilmink: „Nu je uit de pijn bent / zie ik je pijnen pas.” Daar spreekt de Finkers die de tegenwoordige tijdgeest, waarin niets meer is wat het is omdat alles opgeleukt moet worden, veel liever zou inruilen voor een tijd waarin „schoonheid en fijnzinnigheid” de toon zetten.

Een minpuntje is dat Finkers enkele nummers bij een orkestband zingt; aan de piano of op de gitaar zijn die liedjes veel raker.

Na de pauze is een tot de kern teruggebracht programma, zonder zijn vroegere visuele fratsen, waarin Finkers ondanks alles een wonderbaarlijk lichte toon aanslaat – juist als het over zijn ziekte gaat. Niet door die te bagatelliseren, maar door ook daarop zijn hoogstpersoonlijke logica toe te passen. Zoals zijn reactie als de dokter meedeelt dat hij kanker heeft: „Vreemd, ik heb nóóit kanker.” Met die mengeling van filosofische berusting en een onverstoorbaar relativeringsvermogen heeft Finkers een unieke, bijna delicate voorstelling gemaakt.

„Daarboven in de hemel zien wij elkander weer,” zingt hij in het laatste liedje. Maar voorlopig nog niet, hoop ik.