Haat is de ware missie

Saskia de Coster geldt al jaren als talent. Maar haar vierde roman ‘Held’ is haar beste tot nu toe. Ze houdt het tempo zo hoog dat je niets anders kan dan De Coster te volgen in haar wrede wereld.

Saskia de Coster Foto Johan Jacobs Jacobs, Johan

Saskia de Coster: Held. Prometheus, 96 blz. € 14,95

Er zijn schrijvers die met een grote klap je leven binnenvallen. Er zijn schrijvers die een tijdje vrij geruisloos in je leven rondhangen en dan weer door de achterdeur verdwijnen. En er zijn schrijvers waarvan je eigenlijk niet precies meer weet hoe ze zijn binnengekomen, maar die ineens zo’n harde klap met een deur geven dat je je realiseert dat ze er zijn – en dat ze zullen blijven.

Bij Saskia de Coster is dat laatste het geval met haar vierde, korte roman Held. Dat komt eigenlijk al door de beginzin van dat boek: ‘Er zijn mensen die als een belediging je leven binnenvallen’. Nu heeft de Vlaamse De Coster, die al jaren geldt als een talent, in haar drie eerdere romans wel meer goede zinnen geschreven. Ditmaal echter dendert ze meteen door in het verhaal van de negenjarige Lien en haar nieuwe klasgenoot, een jongen die vanaf de eerste minuut een diepe weerzin in haar wakker roept: ‘De doorn in mijn oog. Niet alleen was hij een slappe lul, hij wilde ook nog eens uitpakken met zijn slapheid, zijn sufheid, zijn overtolligheid. Hij droeg de titel Opperlul met trots. Mijn god, ik haatte hem.’ De jongen, naar medische maatstaven een autist, heet Marcus – zij noemt hem Misbaksel.

Haar haat wordt vervolgens door de jonge Lien uitgevent met een overgave die alleen op een schoolplein mogelijk is en met een zinnelijkheid die verraadt dat er méér aan de hand is in de emotionele huishouding van dit meisje. Er ontbreekt iets aan haar leven, zoveel is duidelijk. Maar moeten we dat ook haat noemen?

Iets van haar achtergrond blijkt wanneer zij haar vader, een hoogleraar kunstgeschiedenis, karakteriseert: ‘Hij liet zich niet snel van zijn stuk brengen, niet door mijn vragen, niet door die van zijn studenten, niet door de uitdagende spelletjes van het leven. Toen hij uit de kraamkliniek thuiskwam, zonder mijn moeder maar met mij in een mandje, trok hij zoals gewoonlijk zijn schoenen uit en beklom de trap.’ Inderdaad, zonder moeder: ‘Nochtans hadden wij haar levenloze lichaam in het bed vol rode watten achtergelaten.’

Op school wordt haar vijand haar missie, verklaart Lien bijna trots. Maar het is geen vijand die vernietigd moet worden. Bijkans struikelend over haar hatelijkheden, trekt ze juist naar Misbaksel toe. Ze zit naast hem in de klas, ze belandt op zijn verjaardagsfeestje en hij wordt haar partner in crime: Ze ontvoeren een doofstomme jongen en mishandelen hem met een schaar om de woorden uit hem ‘te bevrijden’.

Virtuoos en in vliegende vaart wikkelt De Coster het eerste deel van haar verhaal af, om het avontuur van Lien en Misbaksel na zestig bladzijden te laten eindigen op een treinperron. Er volgt nog een korter tweede deel, waarin de volwassen Lien op zoek gaat naar de volwassen Marcus. Veel meer dan het razende eerste deel van de roman doet dat deel denken aan De Costers eerdere werk, de romans Vrije val, Jeuk en Eeuwige roem. Die zijn ook bijzonder goed geschreven en wekken een constant sluimerend gevoel van onbehagen. Maar daarin waren de zinnen ingebed in bredere associatieve patronen en hier en daar een postmodern aandoend experiment. Dat overtuigde de ene keer meer dan de andere keer – je gedachten hadden weleens de neiging af te dwalen. Zo niet in het verhaal dat De Coster in Held vertelt: ze heeft de teugels nu zo sterk in handen en houdt het tempo zo hoog dat je eigenlijk niets meer te willen hebt.

Achter het vroegwijze meisje Lien – ze heeft wel iets van Elmer uit Reves Werther Nieland – kun je zonder veel moeite een tranentrekkend verhaal zien schemeren: geen moeder, een vader opgesloten in zichzelf en zijn ironie, weinig vrienden op school. De Coster weigert het echter te vertellen, of althans ze weigert het zó te vertellen. Ze houdt het juist uitgesproken zakelijk, leunend op de sterke stem van haar vertelster. Het verhaal wordt zó onsentimenteel verteld – en dus werkt het des te meer op het gemoed. Held is dan ook De Costers beste boek tot nu toe.

Toch is de roman geen breuk in het werk van De Coster. In de eerste plaats omdat ze in het genoemde laatste deel van de roman dus weer teruggrijpt op de associatieve schrijfwijze uit haar eerdere werk, waar ze zelfs tussen de bedrijven door een grapje over maakt. De chef verlangt van Lien een reportage die ‘onberedeneerd, naïef, vrouwelijk’ is. In Held wordt echter dankzij de rake portretten van de hoofdpersonen de helderheid nauwelijks aangetast.

In de tweede plaats omdat juist door die helderheid de lijnen in De Costers groeiende oeuvre steeds duidelijker worden. Want het thema van twee mensen die in de ander zoeken wat er aan henzelf ontbreekt, dringt zich bij De Coster steeds weer op de voorgrond. Het is een klassiek thema, dat zij in ieder boek weer overtuigender uitwerkt. In haar debuut Vrije val ging het om twee outcasts, in Eeuwige roem om twee vrouwen, waarvan de een bijna helemaal ‘buitenwereld’ was en de andere bijna alleen maar ‘binnenwereld’. Ze zoeken elkaar op, geenzins om liefde – dat is een woord dat De Costers personages niet snel in de mond zullen nemen. Ze zoeken wel, maar eigenlijk tegen wil en dank en ook zonder veel sympathie voor hun wederhelft. Waarschijnlijk hebben ze het gevoel niet compleet te zijn zonder die ander, of misschien hebben ze alleen maar het gevoel niet compleet te zijn.

In Held valt daarbij vooral op hoeveel Lien en Misbaksel op elkaar lijken, in fysieke zin (‘van moeder natuur moest ik even bleek zijn’), maar ook in hun verlangen om zich te onttrekken aan hun omgeving. Of dat nu gezin of school is en of dat nu voortkomt uit rebellie of uit autisme. Je gaat je op een gegeven moment zelfs afvragen of Lien haar vijand niet verzonnen heeft, zoals andere kinderen een vriendje verzinnen.

Zeker is dat de wreedheden die de twee kinderen begaan, te maken hebben met taal en schepping. Het gaat hun er immers om ‘de woorden te bevrijden’. Even zeker is dat Saskia de Coster er ten volle in is geslaagd om haar bevrijde woorden op indrukwekkende wijze de wereld in te sturen.