Een boos meisje van 16

Voor het eerst in 25 jaar is in Nederland de grote belcanto-opera Lucia di Lammermoor te zien. Regisseur Monique Wagemakers maakte er een bloederige voorstelling van, met een zee van zwaarden en boosaardige poppen.

Aan de wanden van de oefenstudio zijn kostuumschetsen opgehangen. Overheersend beeld: kniejassen en quilts. „Mannen in rokken, daar ben ik dol op”, zegt regisseuse Monique Wagemakers. Haar draaiboek ligt op een regietafel open. Scène na scène is haar enscenering van de opera Lucia di Lammermoor gevat in plaatjes en voorzien van cryptische aantekeningen als ‘opkomst poppen’, ‘achterwand vlieg eruit’, of: ‘snijpruik!’ Een snijpruik? Die moet dan wel voor Lucia zelf zijn, als illustratie van de waanzin die haar bevangt nadat ze onder valse voorwendselen is gedwongen tot een huwelijk met de rijke Lord Arturo Buklaw, terwijl ze al was verloofd met Edgardo Ravenswood, erfvijand van haar broer Enrico.

Precies 25 jaar geleden is het dat Joan Sutherland in de Amsterdamse Stadsschouwburg Nederlandse operageschiedenis schreef als de in een met bloed besmeurd wit nachthemd rondijlende Lucia di Lammermoor. Monique Wagemakers was toen de piepjonge regieassistent. „Te jong om me te realiseren hoe bijzonder het was dat ik daar dag in dag uit met Sutherland werkte”, zegt ze. „Ik herinner me nog wel dat zij – een grote vrouw – erop stond een zelf meegenomen jurk te dragen. Een rood geruite was het, hij stond backstage rechtop in een kist. De andere kostuums waren groen. Maar dat deed er niet toe. De hele productie, het koor, de overige solisten – alles draaide om Sutherland.”

Bij De Nederlandse Opera

was het echte Italiaanse belcanto sindsdien slecht af. Pas onlangs kreeg het genre weer aandacht, in een alom kritisch ontvangen enscenering van Vincenzo Bellini’s Norma (2005) – een productie die extra aandacht trok doordat stersopraan Nelly Miricioiù op beklagenswaardige wijze vastliep in de titelrol en met stemproblemen moest afhaken. En dat terwijl de regie nota bene ging over operadiva’s en hun gevolg. Maar in elk geval was er weer belcanto te zien in Amsterdam. „En dat juich ik van harte toe”, zegt Monique Wagemakers. „Ik heb Pierre Audi, artistiek leider van De Nederlandse Opera, er al jaren geleden op aangesproken of ik dit repertoire niet eens zou mogen doen. De muziek van Lucia di Lammermoor bestaat uit het ene hoogtepunt na het andere. En dat er dramaturgisch het een en ander schort aan het libretto, vind ik alleen maar een uitdaging. Kom maar op, ik zal laten zien dat je er wel een verhaal uit één stuk van kunt maken.”

Gaetano Donizetti baseerde zijn Lucia di Lammermoor (1835) op een roman van Sir Walter Scott (The Bride of Lammermoor), maar het libretto bevat nogal wat veranderingen ten opzichte van de roman. Wagemakers greep voor sommige ideeën wél terug op Walter Scott, vertelt ze. „Zo’n productie als met Sutherland, die puur draaide om één zangeres, zou ik niet kunnen of willen maken. Lucia is een meisje van zestien, dat door haar omgeving emotioneel wordt vermorzeld. Haar broer Enrico heeft in het libretto de boosaardige eigenschappen overgenomen die in het boek aan hun moeder toebehoorden, maar in mijn visie is ook hij een kind – doodsbang om het aanzien en het landgoed dat zijn familie in het bezit heeft gekregen, weer te verliezen.” En dus moet zusje Lucia trouwen met Lord Arturo. „Maar ze is al verloofd, en wil zich helemaal niet mengen in die politieke, agressieve mannenmaatschappij”, zegt Wagemakers. „Lucia sluit zich op in haar eigen fantasiewereld van poppen en dromen.”

In de Amsterdam Studio’s

in Duivendrecht is het toneelbeeld van Lucia di Lammermoor voor de eerste regierepetities provisorisch opgebouwd. Het is een grote, blanke zaal, met een groot hemelbed – het hart van de droomwereld van Lucia. Zij is de enige die werkelijk puur is. Haar verloofde Edgardo, voor wie ze heel freudiaans viel toen hij haar redde van een stier, is vooral een trotse patriot, strijdend aan het front. Lucia’s broer en gevolg manipuleren haar in zijn afwezigheid om de familie-eer te redden. En uiteindelijk keren zelfs haar poppen zich tegen haar. Als een sliert boosaardige marionetten omringen ze haar, spastisch gebarend en allang niet meer in staat tot roze meisjeskamertroost.

Voor de derde scène van de eerste akte ligt Lucia op bed – het been tienerachtig opzij gebogen. Achter haar zit Raimondo, opvoeder en religieuze huisvriend van de Ashtons. Wagemakers vergroot zijn vileine natuur en dubbele agenda uit door hem datzelfde been even later wellustig te laten strelen, terwijl hij Lucia ompraat toch vooral wél te trouwen met Lord Arturo en haar Edgardo te vergeten. „Word een duivel”, roept Wagemakers schor naar de vandaag ingevlogen bas Alistair Miles (Raimondo). „Al stelt Lucia zich nog zo onbenaderbaar op, jíj hebt een doel. Arturo en zijn bruidsgevolg staan al voor de poort te trappelen. Ze maakt je gek, dat ongenaakbare, boze meisje.”

Wagemakers is perfectionistisch in de uitwerking van de personages, erkent ze. „Ik schrijf alles uit. Van elk personage wil ik weten in welke verhouding hij staat tot de anderen. Ik maak mijn eigen boek over het libretto van de opera, opdat iedereen voor me gaat leven. Ik wil van elke uitspraak snappen waarom die wordt gedaan.” Neem Lucia’s kamenierster Alisa, op papier een vlak personage. Wagemakers: „Door die aan de boosaardige Raimondo te koppelen, wordt haar aanwezigheid betekenisvoller. Samen vormen ze nu zo’n griezelig intrigantenpaar.”

Wagemakers geniet van de zwaktes van het verhaal. Zo verdwijnt Lucia’s heimelijke verloofde Edgardo in het libretto aan het einde van de eerste akte naar Frankrijk, om te strijden voor Jacobus II. En in de volgende scène is hij daar opeens weer. „Terwijl het voor een goed begrip van het verhaal noodzakelijk is te weten dat Lucia, wanneer ze eindelijk instemt met het huwelijk met Arturo, al een jaar is gemanipuleerd en gebrainwasht door de mannen om haar heen.” Door de pauze te verplaatsen, wordt die context wél duidelijk, hoopt Wagemakers. ,,Ik kap af na het liefdesduet tussen Edgardo en Lucia, aan het slot van de tweede scène van de eerste akte. Daarna zie je haar alleen in haar kamer, ten prooi aan het diepste ongeluk.”

Op de muur van het decor staat met bloed Edgardo’s naam geschreven – een nachtmerrieachtig beeld dat visueel direct doel raakt. „Ik zag het vanmorgen nog bij Goedemorgen Nederland, zegt Wagemakers. ,,Dat bracht een item over automutilatie bij jonge meisjes. Hun emotionele pijn is zo extreem dat fysieke pijn verlichting biedt. Dus verminken ze zichzelf. Dat laat ik Lucia ook doen, en dat maakt later ook haar waanzin na de moord op Arturo aannemelijk.” Die moord vormt een ander pijnpunt in de opera. Lucia stuwt Arturo in de huwelijksnacht een dolk door de borst – een scène die zich gewoonlijk in het echtelijk bed, buiten het gezichtsveld van het publiek afspeelt. Lucia’s beruchte waanzinsscène (Il dulce suono, met de aria Alfin son tua en de cabaletta Spargi d’amaro pianto) komt daardoor vrij onverwacht uit de lucht vallen.

„Het publiek moet opera snappen door het gebruik van heldere beelden en weinig rekwisieten”, vindt Wagemakers. ,,‘Belcanto’ betekent mooi zingen, maar de coloraturen van Lucia moeten wel ergens over gaan.” In Wagemakers’ beeldentaal is de moord zichtbaar gemaakt en worden de stemcapriolen van de waanzinnig geworden Lucia begeleid door ritmische bloedspetters. „Lucia heeft behalve Arturo ook zichzelf dodelijk verwond, en begint als gevolg van het bloedverlies te hallucineren. Dáár ligt de oorzaak van haar waanzin. Beelden moeten voor mij muzikaal verankerd zijn, en maken dat je de muziek als het ware helderder hoort. Ik zou nooit opera kunnen regisseren zonder de muziek als uitgangspunt te nemen.”

Lucia di Lammermoor door De Nederlandse Opera, voorstellingen 1 t/m 30 november in Het Muziektheater, Amsterdam. Inl.res.: (020) 6255455 of www.dno.nl