De nederigheid van de dichter des vaderlands

Geen enkel huldeblijk, geen necrologie, geen ingezonden stuk, geen herinnering aan de wijze waarop hij mayonaise maakte, geen bekentenis van de boekhandelsklant die nooit meer dezelfde was geworden als vóór hij op z’n twaalfde Turks Fruit had gelezen, kon de kwaliteit benaderen van het werk dat geprezen werd.

Zoals het hoort. De Meester spreekt zijn onsterflijke laatste woorden, en wat de overlevenden daarna nog proberen te zeggen komt nooit verder dan stamelen.

De afstand tussen het één en het ander moet natuurlijk niet te pijnlijk worden.

Leven van Remco Campert, dat woensdagochtend op de voorpagina van de Volkskrant stond afgedrukt (en dat we de dichter diezelfde dag nog ongeveer zeventien keer voor radio en televisie hebben horen voorlezen) was misschien niet Remco’s allermooiste gedicht, maar het bleef in de buurt.

Die avond las ik in NRC Handelsblad de bijdrage van de Dichter des Vaderlands. Het heette Dag Jan, en het begon zo:

Wie liefdevol zijn leven nabeschouwt

Ziet al te goed hoe het verkeren kan,

Hoe of een jonge god tot broze man

Door Moedertje Natuur werd omgebouwd.

Hoe of?

Ik val niet over zes platitudes in vier regels (liefdevol, nabeschouwt, verkeren, jonge god, broze man, moedertje natuur), ik val even over dat of.

‘Hoe of een jonge god tot broze man….’

Wat zou de dichter bedoeld hebben? Je bent geneigd te denken dat hij niet méér wilde stamelen dan dat een jonge god door moedertje natuur tot broze man (en erger) was omgebouwd. Maar wat komt of daar dan tussen doen? Je kunt van alles met of. Je kunt je afvragen of. Je kunt zeggen: of ik nou hoog sprong of laag sprong, hij weigerde. Je kunt kiezen tussen Wilders of Verdonk. Je kunt nog een stuk of wat andere voorbeelden bedenken. Maar hoe of een jonge god tot broze man werd omgebouwd, kan ik spraakkunstig niet thuis brengen.

Of heeft Driek van Wissen aan z’n dichtader gevoeld dat hij metrisch een eenlettergrepig woordje miste? Je hebt dat vaak, vooral onder rijmgebruikers: dat ze een heel vers volplamuren met stoplapjes als ‘echt’, ‘tenslotte’, ‘haast’, of ‘intussen’. Maar hoe of?

Eigenaardig dat Driek niet even contact heeft gezocht met zijn boezemvriend Jean Pierre Rawie, die in Nederland op het gebied van metrum, ritme en het camoufleren van stoplappen als onovertroffen geldt.

Overigens kon ik een gevoel van schaamte moeilijk onderdrukken toen ik het complete gedicht in NRC-editie van gisteravond opnieuw aantrof. Gebleken was dat in de versie die daags tevoren stond afgedrukt een hele regel was weggevallen.

Ik betwijfel of iemand het gemerkt heeft, maar daar ben ik zelf niet mee verontschuldigd: mij was het niet opgevallen. Erg genoeg natuurlijk, en behoorlijk stom. Het minste wat je bij Driek altijd even hoeft te doen is het aantal regels tellen, want hij schrijft voor het vaderland altijd (klinkt helder op, gebeeldhouwde) sonnetten, en dan ben je gewaarschuwd als het er minder dan veertien zijn.

Overigens stond de correctie niet op de voorpagina, maar op bladzij 11, zij het wel meteen onder het verslag van de crematie. En de redactie had er, zonder verdere plichtplegingen, de gemiste regel in een hoekje bijgeschreven: ‘Er was voor hem geen kans op lijfsbehoud’ (rijmde op ‘hij was zo zichtbaar en aandoenlijk oud’) - de samengebalde gemeenplaats voor het menselijk tekort.

Wil ik hiermee als lezer, abonnee of mens bezwaar aantekenen tegen het werk van de Dichter des Vaderlands? Allerminst. Hij wordt geacht Grote Dingen (koninklijke geboortes, natuurrampen, bittere sterfgevallen) te berijmen, dus hij moet z’n plaats kennen, en zich liefst klein houden. In 2008 (de opvolging!) zal men opnieuw naar een kleine rijmer moeten zoeken.