Bevrijd van modder en vader

Tussen ‘Het rood en het zwart’ en ‘De karthuize van Parma’ schreef Stendhal ‘Lucien Leuwen’, een derde grote, maar onbarmhartig satirische roman. Daarin ontdekt de onhandige Lucien wat hij waard is onder vernederende omstandigheden. Zijn jacht op het geluk eindigt onbeslist.

Stendhal: Lucien Leuwen. Vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Leo van Maris. Atlas, 607 blz. € 34,90

De Franse schrijver Henri Beyle, beter bekend onder zijn pseudoniem Stendhal, vond dat een man het aan de eer van iedere vrouw verschuldigd was om een poging te doen haar te verleiden. Soms moesten ook oude vriendinnen eraan geloven. Dat valt tenminste op te maken uit de brief die zijn vriendin Jules Gaulthier hem op Eerste Kerstdag 1836 schreef. Zij feliciteert hen beiden met een ‘groot succes’ en geeft dan de volgende samenvatting, als betrof het een legerbulletin: ‘goed aangevallen, goed verdedigd, geen verdrag, geen nederlaag, roem voor beide kampen’.

Met zo’n vriendin kon Stendhal tevreden zijn. Dat was hij ook nog in een ander opzicht, want aan dezelfde Jules Gaulthier had hij een paar jaar eerder het idee te danken gehad voor Lucien Leuwen, zijn derde grote roman, geschreven tussen Le rouge et le noir (1830) en La chartreuse de Parme (1839) in. In 1833 had zij hem het manuscript van haar roman Le lieutenant ter beoordeling aangeboden. Op 4 mei 1834 kwam Stendhals reactie, waarin – zoals kennelijk was afgesproken – de ‘eigenliefde’ van de schrijfster niet werd ontzien. De stijl van haar boek was te ‘nobel en gezwollen’, er kwamen te veel superlatieven in voor, en ‘brandende hartstocht’ moest je niet benoemen maar de lezer laten voelen. Ook schrijft Stendhal dat hij een nieuwe ontknoping had bedacht. Uiteindelijk bedacht hij een andere roman, al weten we helaas niet hoe anders precies, aangezien het manuscript van Le lieutenant verloren is gegaan.

Gelukkig hebben we Lucien Leuwen wel. In 1855 werd het eerste deel ervan postuum gepubliceerd, in 1894 volgde de hele tekst. De roman is onvoltooid gebleven en dat verklaart waarschijnlijk waarom hij veel minder bekendheid geniet dan Stendhals beide andere grote romans, hoewel hij die in omvang overtreft. De roman kent lacunes en losse eindjes, en vormt minder een eenheid. Maar ook een Stendhal met gebreken blijft een groot genoegen om te lezen, niet in de laatste plaats juist vanwege de losse, spontane, bijna nonchalante manier van schrijven. Van de bezwaren tegen de stijl van zijn vriendin is bij hem zelf niets te merken. Daarom mogen we blij zijn dat nu eindelijk een Nederlandse vertaling van Lucien Leuwen is verschenen, van de hand van Leo van Maris, wiens soepele Nederlands het genoegen geen haarbreed in de weg legt.

Van de drie delen waarop de roman volgens een eerste plan was begroot, schreef Stendhal er uiteindelijk maar twee. In het eerste deel zien we de uit Parijs afkomstige jonge held als eerste luitenant in Nancy verliefd worden op een mooie aristocrate, mevrouw de Chasteller; maar aan hun moeizame verhouding lijkt een eind te komen, als Lucien door intriganten wordt wijs gemaakt dat zijn geliefde bevallen zou zijn van het kind van een ander.

Het tweede deel begint nadat Lucien halsoverkop terug naar Parijs is gevlucht en daar een baan als raadsadviseur (‘maître de requêtes’) van de minister van Binnenlandse Zaken accepteert, in welke functie hij de opdracht krijgt in de westelijke departementen de Kamerverkiezingen te manipuleren; ondertussen wordt zijn eigen vader als afgevaardigde van een ander departement in de Kamer gekozen, om daar vervolgens een steeds belangrijkere politieke rol te gaan spelen. De ene helft van de roman gaat dus vooral over de liefde, de tweede helft over de politiek.

Maar zo simpel liggen de zaken niet, want liefde en politiek blijken veel met elkaar te maken te hebben – ook in Nancy, waar juist de burgerlijke afkomst van Lucien en zijn status als officier in het leger van de ‘burgerkoning’ Louis-Philippe de verhouding met mevrouw de Chasteller zo moeizaam maakt. De roman speelt onder de Juli-Monarchie, die na de Revolutie van 1830 het regime van de Bourbons had vervangen. Het gevolg was een hopeloos verdeeld land, met aan de ene kant de rancuneuze aristocraten die vasthielden aan hun trouw jegens de verdreven Bourbon-koning, aan de andere kant de republikeinen die vonden dat men de revolutie had verkwanseld door in 1830 een nieuwe koning (ditmaal van de ‘jongere’ Orléans-tak) te accepteren. Tussen beide kampen in zaten de aanhangers van Louis-Philippe, het ‘juste-milieu’ zoals zij het zelf noemden, die zowel door rechts als door links met verachting werden bejegend.

Stendhal zelf identificeerde zich met geen van deze drie kampen, hoewel hij sinds 1831 als Frans consul in Civita Vecchia bij Louis- Philippe op de loonlijst stond. Niets boezemde hem zo’n weerzin in als het juste-milieu, dat hij gelijkstelde aan geldzucht, corruptie, verloedering en een schijnheilig soort tirannie. Voor de aristocraten en de republikeinen daarentegen kon hij wel waardering opbrengen: de eersten hielden er weliswaar achterlijke ideeën op na, maar wisten tenminste wat goede en aangename manieren waren, de laatsten hadden in theorie gelijk maar waren in de praktijk verschrikkelijk serieus en dus saai. Bovendien kon Stendhal in een democratische republiek enkel de heerschappij van de middelmaat zien; dan was een ‘verdorven hof’ hem liever, want daar kon je je tenminste amuseren, terwijl die brave democraten zich de hele dag in het zweet werkten om zoiets vulgairs als geld te verdienen.

Lucien heeft van Stendhal diens eigen voorkeuren meegekregen, wat hem tot een buitenbeentje maakt, iemand die nergens bijhoort, maar die – eveneens net als Stendhal zelf – wel van het heersende regime profiteert. Zijn vader is namelijk een schatrijke bankier en de bankiers hebben het in de Juli-Monarchie voor het zeggen. Daarbij komt dat Lucien ook nog eens een leuke vader heeft (een unicum in Stendhals literaire universum), een spotlustige levensgenieter, die het beste met zijn zoon voorheeft. De ironie van de roman wil echter dat juist dát Luciens grote probleem wordt, of zoals Stendhal het zelf formuleert: ‘Hij (Lucien) was de enige zoon van een rijk man en er zijn heel wat jaren nodig om die handicap, waar de meeste mensen zo jaloers op zijn, te overwinnen’. Het blijkt vooral een existentieel probleem te zijn: hoe kan iemand die alles al heeft ook nog iemand zijn?

Wie je bent, daar kom je volgens Stendhal achter door te handelen, door jezelf op het spel te zetten, ook wanneer je het enkel als een spel kunt zien, bijvoorbeeld omdat (zoals in het geval van Lucien) de materiële noodzaak ontbreekt. Het nadeel daarvan is wel dat dan ook de verblinding ontbreekt, zodat de wereld met nietsontziende luciditeit wordt waargenomen. Dat maakt het moeilijker om je rol naar behoren te spelen. Lucien is zich van meet af aan ervan bewust dat hij dient in een gedegradeerd leger. Sinds Napoleon blijkt alle heroïek verdwenen, de soldaten vechten nu nog slechts tegen arme opstandige arbeiders om de belangen van de rijken te verdedigen. Alom heerst het verval. Maar dat is niet de reden waarom Lucien reeds bij zijn binnenkomst in Nancy van zijn paard valt. Stendhal geeft de lezer een ironisch knipoogje, aangezien zijn Lucien de liefde beschouwt als een ‘afgrond’ waar hij niet van plan is in te vallen – en hij wordt uitgerekend onder het raam van mevrouw de Chasteller uit het zadel geworpen, terwijl zij achter ‘een gordijn van geborduurde mousseline’ toekijkt.

De onervaren, onhandige Lucien moet zichzelf leren kennen en ontdekken wat hij waard is onder de meest vernederende omstandigheden. Dat blijkt ook als hij – in het tweede deel – eropuit wordt gestuurd om de Kamerverkiezingen met smeergeld, list en bedrog te beïnvloeden. Onderweg wordt hij als regeringsagent herkend en met modder bekogeld. Van machteloze woede springen hem de tranen in de ogen, maar zijn veel minder gevoelige metgezel Coffe houdt hem voor: ‘Die modder is voor ons het edele stof van het veld van eer’. Coffe heeft gelijk. Het gaat er allereerst om hoe Lucien zich, zelfs in de meest weerzinwekkende situaties, gedraagt. Laat hij zichzelf in een corrupte wereld ook corrumperen of slaagt hij erin daarvan vrij te blijven?

Die vrijheid valt hem niet in de schoot, maar moet veroverd worden. Op wie? Omdat het om een existentieel drama gaat, blijkt dat in laatste instantie te zijn: op zijn eigen papa. Ook die innemende vader Leuwen (die wel wat van de oudere Stendhal zelf heeft) verdient de revolte van zijn zoon, want met zijn manipulatieve affectie blijkt híj de grootste barrière te zijn tussen Lucien en diens liefde voor mevrouw de Chasteller. Nadat hem de schellen van de ogen zijn gevallen, neemt Lucien onder een valse naam een hotelkamer, waar hij denkt: ‘Hier ben ik vrij’. Vader Leuwen op zijn beurt heeft al eerder bezorgd over zijn zoon gedacht: ‘Hij past niet in zijn tijd’. Ziedaar de romantische dimensie van deze onbarmhartig satirische roman. Net als bij de helden van Stendhals andere grote romans ligt Luciens bestemming buiten de werkelijkheid die erin wordt beschreven.

In Stendhals autobiografische Souvenirs d’égotisme (1832) lezen we: ‘De poëtische geest is dood, maar de geest van de achterdocht is ter wereld gekomen’. In Lucien Leuwen blijken dat geen loze woorden, want werkelijk iedereen speelt toneel, zodat niets meer is wat het lijkt; wie dan toch ‘natuurlijk’ tracht te blijven en naïviteit en spontaniteit hoogacht, heeft een serieus probleem. Net als Rousseau (naar wie niet toevallig een paar keer wordt verwezen) moet hij zo’n schijnwereld ten slotte de rug toekeren. Nadat aan zijn private Bildung een eind is gekomen (vader gestorven en zijn bank bijna failliet, terwijl de zoon keurig alle schulden afbetaalt: de rollen zijn volledig omgedraaid), vertrekt Lucien naar Stendhals zelfverkozen vaderland Italië, in afwachting van een eventuele hereniging met mevrouw de Chasteller.

Of het zover ooit zal komen, doet niet meer ter zake. Lucien Leuwen is geen keukenmeidenroman die een happy end nodig heeft; de persoonlijke bevrijding van de held uit de politieke en vaderlijke modderpoel is genoeg. Stendhal had gelijk om het geplande derde deel weg te laten. ‘Cela fera un autre roman’, schreef hij in de kantlijn. Die ‘andere roman’ zou, een paar jaar later, La chartreuse de Parme worden, waarin een nieuwe held onder geheel andere omstandigheden in Italië op jacht gaat naar het geluk.

Het onvoltooide karakter van de roman doet dus geen afbreuk aan de betekenis van het geheel. En, ik herhaal het graag, evenmin aan het plezier dat je er als lezer aan kunt beleven. Wanneer Lucien een belangrijke brief van mevrouw de Chasteler heeft ontvangen, die zal beslissen over hun liefde, staat er dat hij naar het bos gaat om hem op zijn gemak te lezen, ‘als een man die zich gereedmaakt de bijlslag te ontvangen die hem naar de andere wereld zal helpen, en daarvan met volle teugen wil genieten’. Ook niet mis is wat we lezen over de mooie mevrouw Grandet, Bathilde de Chastelers Parijse rivale, die zich aan het begin van een van de meest dramatische scènes ‘in een fauteuil [werpt] met alle hooghartigheid van iemand die er nu al zes jaar lang in Parijs elk jaar honderdtwintigduizend francs doorheen jaagt’.

‘Originaliteit en waarheid zijn alleen te vinden in de details’, zegt vader Leuwen ergens. Bij Stendhal zijn het de details die het ’m doen in zulke ironische, laconieke en altijd verrassende wendingen. Stendhals stijl tintelt van leven. Het kan niet anders of hier is een schrijver aan het woord die zichzelf voor geen goud met zijn eigen verhaal wenste te vervelen. En wij, de happy few die hij als toekomstig publiek in gedachten had, wij genieten dankbaar mee.