Zwagerliefde

George, de laatste taxichauffeur van het dorp, is er mee uitgescheden. Het klinkt als een litanie en ik begrijp dat mensen uit Nederland mijn droefenis maar moeilijk kunnen navoelen. In een grote stad als Amsterdam zou het nieuwtje dat een taxichauffeur ‘er mee uitgescheden’ was met gejubel worden ontvangen, doordrongen als men daar is van het besef dat elke taxichauffeur minder een opklaring van de lucht betekent en een opvijzeling van het beschavingspeil. Maar George mis ik. Hij was niet een butler, niet een verpleger, niet een praatpaal, niet een vraagbaak, niet een toeverlaat, maar van alles een beetje tegelijk. Een pijler van de gemeenschap was hij, om het met een brok in de keel te zeggen, en wat je in je opperbeste humeur ook over een taxichauffeur uit het noorden zou kunnen verzinnen, dat toch niet.

’t Is raadselachtig waarom George de stap heeft genomen. Hij was, naast taxichauffeur, altijd al wijnbouwer, maar nu heeft hij besloten in vaste dienst te treden van het Grote Hotel. Het Grote Hotel wil op zijn landerijen eigen wijn aankweken – men ziet daar al slanke flessen voor zich met etiketten, door aanstormende designers ontworpen – en daarvoor is een toezichthouder vereist, die verstand heeft van het goedje waarmee die flessen ook nog gevuld moeten worden. Wijn van begin tot eind – de boorgaten, de stronken, de druivensoort, de luis en de meeldauw, de pluk en de persing. George is de man.

Wij zijn onze taxichauffeur kwijt.

De taxi was voor mij een levensbehoefte, want ik rijd geen auto. De taxi betekende voor mij ook rebellie tegen de fiets en tegen het doe maar gewoon en tegen alle haters van luxe en gemak. Gelukkig werd ik in deze protesthouding flink geholpen door de goedkoopte van de Portugese taxi. Ik betaalde voor een ritje naar het vliegveld minder dan de man die daar zijn eigen auto een week moest parkeren. De oude mensen in mijn dorp gingen met de taxi naar de dokter. Mijn buurvrouw haalde met de taxi brood. George hield de deur voor je open en George deed behoedzaam de deur naast je dicht, zodat je niet zou schrikken van de klap. Mijn manier om duur te doen en toch niet poenerig.

Er waren er meer die van George hielden.

Ik denk aan Vitor uit twee dorpen verderop, die heiligenbeelden, consoles en voorwereldlijke vissen snijdt uit boomstammen en zich beeldhouwer noemt. Hij moest van onze dorpstaxi gebruik maken omdat zijn auto naar de garage van Ricardo was gesleept, ook al in Niemandsdorp. Vitor zat elke dag wel om een of meer ritjes verlegen. Ik geloof niet dat het kwam door de vraag naar heiligenbeelden, consoles en voorwereldlijke vissen. Toch reed hij veel rond. Keer op keer drong hij bij Ricardo aan om haast te maken met de reparatie van zijn auto. Nu eens had Ricardo hoofdpijn, dan weer diende er te worden gewacht op een speciale bout die bij de dealer in de stad was besteld. Maanden duurde het voor de auto rijklaar was. De traagste reparatie aller tijden. Ik heb Vitor maar niet verteld dat Ricardo, de garagist, een zwager was van George, de taxichauffeur.

Gerrit Komrij