Vijf mythen over het oude, zieke Europa

De EU heeft te lijden onder stereotypen, vaak gebaseerd op vooroordelen. Zo is de verzorgingsstaat helemaal niet schadelijk voor de economie, betoogt Steven Hill.

In de wereldeconomie kunnen de winnaars van vandaag de verliezers van morgen zijn, en vice versa. Niet zo lang geleden gaven Amerikaanse analisten hoog op over de economische superioriteit van de VS en spraken zij op sarcastische wijze over de ‘zieke oude man’ Europa.

Wat kunnen een paar maanden tijd toch een verschil maken. Tegen de achtergrond van de nervositeit op de aandelenmarkten over Irak, de hypotheekcrisis, de grote tekorten op de begroting en de handelsbalans, en de dalende productiviteitsgroei, kijken beleggers vandaag de dag handenwringend naar de Amerikaanse economie. Intussen wijzen analisten op China en India als lichtpuntjes aan de mondiale horizon.

Maar hoe zit het met Europa? U zult verbaasd zijn om te horen hoe het de van ons vervreemde trans-Atlantische bondgenoot in deze turbulente tijden is vergaan – en hoe succesvol het continent de europessimistische mythes naar de prullenbak heeft verwezen.

De verkalkte Europese economie is niet in staat leiding te geven aan de wereld.

Het ligt er maar aan wie of wat je ‘verkalkt’ noemt. De 16 biljoen (16.1012) dollar omvattende economie van de Europese Unie vertoont al een hele tijd een rustige, gestage groei. De EU is het grootste handelsblok ter wereld en neemt bijna een derde van de wereldproductie voor haar rekening. Dat is meer dan de Amerikaanse economie (27 procent) of de Japanse (9 procent). Ondanks alle enthousiaste verhalen is China nog steeds een economische dwerg met nog geen 6 procent van de wereldproductie. India is nog kleiner.

De Europese economie heeft het nooit zo slecht gedaan als de europessimisten ons hebben willen doen geloven. Tussen 2000 en 2005 werd het veelgeroemde economische herstel van de Verenigde Staten gevoed door goedkope kredieten en een speculatieve huizenmarkt. De 15 kernlanden van de Europese Unie kenden in die periode groeipercentages per hoofd van de bevolking die gelijk waren aan die van de VS. Eind 2006 gingen ze zelfs aan de VS voorbij. In Europa groeide de werkgelegenheid sneller en was het begrotingstekort veel lager dan in de VS. Momenteel is de productiviteitsgroei hoger en heeft Europa een overschot op de handelsbalans van 3 miljard dollar.

Niemand wil investeren in Europese bedrijven wegens de geringe concurrentiekracht.

Ook dit klopt niet. Tussen 2000 en 2005 bedroegen de directe buitenlandse investeringen in de 15 kernlanden van de EU bijna de helft van het wereldtotaal, en deden de rendementen op geïnvesteerd kapitaal het in Europa beter dan in de Verenigde Staten. „Het oude Europa is een investeringsmagneet, omdat het de meest lucratieve markt ter wereld is om op te opereren”, aldus Dan O’Brien van het Britse tijdschrift The Economist. Het Amerikaanse bedrijfsleven is in feite een grote investeerder in Europa: dochterondernemingen van Amerikaanse bedrijven in de EU meldden in 2005 winsten ter hoogte van 85 miljard dollar, veel meer dan in welk ander deel van de wereld ook en 26 maal hoger dan de 3,3 miljard winst die in China werd geboekt.

En vergeet die oude flauwekul over (het gebrek aan) concurrentiekracht. Volgens de maatstaven van het World Economic Forum namen Europese landen in 2006-07 de eerste vier plaatsen op de ranglijst van meest concurrerende landen in beslag, evenals zeven van de tien bovenste plaatsen en twaalf van de twintig bovenste posities. De Verenigde Staten stonden op zes, India was 43ste en China 54ste.

Europa is het gebied van de dubbelcijferige werkloosheid.

Dat is niet langer zo. De helft van de 15 kernlanden van de EU kenden de afgelopen tien jaar min of meer volledige werkgelegenheid, en het werkloosheidspercentage was even hoog als of lager dan dat van de VS. In de hele Europese Unie, inclusief de opkomende landen van Midden- en Oost-Europa, staat de werkloosheid op een historisch dieptepunt van 6,7 procent. Zelfs Frankrijk heeft met 8 procent het laagste werkloosheidspercentage in 25 jaar.

Dat is weliswaar nog steeds hoger dan de werkloosheid in de VS, die 4,6 procent bedraagt, maar laten we niet vergeten dat veel van de nieuwe Amerikaanse banen laagbetaald zijn en geen enkele sociale zekerheid bieden. In Europa hebben de werklozen nog steeds toegang tot gezondheidszorg, uitkeringen, herintredingsprogramma’s, huursubsidies en andere sociale voorzieningen. In de Verenigde Staten lopen werklozen daarentegen het risico berooid en gemarginaliseerd te raken.

De Europese ‘verzorgingsstaat’ verlamt de bedrijvigheid en is schadelijk voor de economie.

Hoed u voor stereotypen die zijn gebaseerd op ideologische vooroordelen. Terwijl de Europese economie is gegroeid, heeft zij de billijkheid en gelijke behandeling steevast in het oog gehouden. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, met hun buitensporige ongelijkheid en gebrekkige toegang tot betaalbare gezondheidszorg en hoger onderwijs, hebben de Europeanen hun economische motor weten in te zetten voor de schepping van welvaart die velen ten goede komt.

Europeanen kennen nog steeds universele sociale voorzieningen van de wieg tot het graf, op vele terreinen. Zij genieten een goede gezondheidszorg, betaald ouderschapsverlof, betaalbare kinderopvang, uitkeringen bij ziekte of arbeidsongeschiktheid, gratis of bijna gratis onderwijs, royale oudedagsvoorzieningen en goed openbaar vervoer. Ze hebben gemiddeld vijf doorbetaalde vakantieweken (in vergelijking met twee voor de Amerikanen) en een kortere werkweek. In sommige Europese landen is de arbeidsduur per werknemer een volle dag korter dan in de VS, terwijl de levensstandaard hetzelfde is.

In Europa staat de werkgelegenheid voorop. Een Brits politiek analyticus zei onlangs tegen mij: „Europa kent niet zozeer een verzorgingsstaat, maar eerder een samenhangend systeem van instellingen die erop zijn gericht iedereen gezond en aan het werk te houden.” Op de juiste manier begrepen vormen het economische en het sociale systeem van Europa de twee helften van een goed ontworpen ‘sociaal kapitalisme’ – een ingenieus raamwerk, waarin de economie het sociale stelsel financiert ter ondersteuning van gezinnen en werknemers, in een tijd waarin het mondiale kapitalisme ons allemaal tot internationaal uitwisselbare werknemers dreigt te reduceren. Het Europese sociale systeem draagt bij aan de welvaart in plaats van daar afbreuk aan te doen, en zelfs de conservatieve politieke leiders van het continent zijn het ermee eens dat dit de beste optie is.

Europa zal waarschijnlijk worden gegijzeld door zijn afhankelijkheid van Rusland en het Midden-Oosten voor zijn energiebehoeften.

Op dit terrein is het riskant al te veel voorspellingen te doen. Europa mag dan nog enige tijd van Rusland en het Midden-Oosten afhankelijk zijn voor zijn energievoorziening, het continent speelt een voortrekkersrol als het gaat om energiebesparing en het terugdringen van de klimaatverandering. In maart van dit jaar spraken de regeringsleiders van alle 27 EU-staten af om de energiemix van de unie in 2020 voor 20 procent uit duurzame energiebronnen te laten bestaan, en om de CO2-uitstoot met 20 procent te verminderen.

Bij het nastreven van deze doelstellingen ondergaat het Europese landschap een langzame transformatie door de bouw van hightech windmolens, grote zonnepanelen, golfslagcentrales, brandstofcellen en energiebesparende ‘groene’ gebouwen. Europa is zowel high- als lowtech geworden: het ontwikkelt niet alleen nieuwe openbaarvervoerssystemen en zuinige auto’s, maar ook duizenden kilometers aan fiets- en voetpaden. De ecologische ‘voetafdruk’ van Europa – het beslag dat een bevolking legt op de capaciteit van de aarde – is ongeveer half zo groot als die van de VS.

Het valt dus nog wel mee met die ‘zieke oude man’.

Steven Hill is directeur van het politieke hervormingsprogramma van de New America Foundation. Hij is bezig met een boek waarin hij Europa en de Verenigde Staten met elkaar vergelijkt. © Los Angeles Times