Krimi over ‘slechte’ joden en ‘goede’ Duitsers

Die Fälscher. Regie: Stefan Ruzowitzky. Met: Karl Markovicz, August Diehl, Devid Striesow. In: 18 bioscopen. *** scene uit de film Die Falscher (2007) FOTO: Cinemien cinemien

Die Fälscher. Regie: Stefan Ruzowitzky. Met: Karl Markovicz, August Diehl, Devid Striesow. In: 18 bioscopen. ***

Voor Die Fälscher als film was het waarschijnlijk beter geweest als de bizarre oplichtersgeschiedenis zich niet tijdens de Tweede Wereldoorlog af had hoeven spelen. Maar ja: zonder WO II geen verhaal. De film is nu eenmaal gebaseerd op een waargebeurd voorval. Hij vertelt hoe een groepje joden in concentratiekamp Sachsenhausen gedwongen werd Engels en Amerikaans geld te vervalsen, om de oorlogseconomieën van die landen te ondermijnen.

Overleven door de Duitsers te helpen, dat is het morele dilemma waar het in Die Fälscher om draait. Maar ook om de vraag of het geen luxe is om je af te vragen of een dergelijke kwestie in de concentratiekampen überhaupt aan de orde was. Het was immers overleven en verder niets. Wie dat probleem ongepast vindt, wijst de film af. Hij leverde bij zijn première op het Filmfestival Berlijn dan ook ruimschoots debatstof op.

Protagonist Salomon Sorowitsch is de amorele hoofdpersoon die zijn leven rekt in ruil voor eten en een bed. En omwille van een wel heel cynische vorm van beroepseer: hij is desnoods bereid te sterven voor het perfecte dollarbiljet. Medegevangene en communist Adolf Burger denkt daar anders over. Zijn inspanningen zijn erop gericht het valse geld te vervalsen en zo de pogingen van de Duitsers te saboteren.

Regisseur Stefan Ruzowitzky heeft een voorkeur voor dergelijke leerstukken. Dat het hem niet om WO II-realisme draait wordt duidelijk door de elliptische cameravoering en montage. Niets van de gedragen stijl, die we bijvoorbeeld recentelijk nog zagen in de Imre Kertész-verfilming Fateless, waarin de camera stijlvol bedachtzaam langs een moreel ontkleurde wereld scheert. Ruzowitzky houdt de toeschouwer bij de les door jump cuts en snelle camerabewegingen. Het maakt de film los van zijn theoretische vragen ook spannend en daardoor extra verwarrend.

In zijn debuut, de vrolijke Brechtiaanse westernparodie Die Siebtelbauern (1997) paste Ruzowitzky ook al dergelijke Brechtiaanse vervreemdingseffecten toe om de toeschouwer actief te laten nadenken over macht en moraliteit. Al moet worden gezegd dat hij in de tussenjaren van zijn carrière met de Duitse horrorreeks Anatomie 1 en 2 eerst koos voor ‘das Fressen’ en nu pas weer voor ‘die Moral’. Wat in de waardevrije omgeving van het Oostenrijkse platteland wel werkte, wordt door de concentratiekampsetting gecompliceerd. Mag je daar wel een Krimi situeren, met ‘slechte’ joden en ‘goede’ Duitsers? En Ruzowitzky zou Ruzowitzky niet zijn als zijn film niet ook over de hedendaagse oorlogseconomieën zou gaan. Met als resultaat dat de film uiteindelijk uit zijn esthetische, morele en thematische voegen barst.