Koopjesjacht begon in de Gouden Eeuw

Met de komst van contracten veranderde het consumptiegedrag.

Duurzaam raakte uit, modieuze spullen werden hot.

De wortels van onze consumptiecultuur liggen niet in de Industriële Revolutie, maar in de Gouden Eeuw. In die periode nam de belangstelling voor duurzame goederen af, terwijl de vraag naar modieuze spullen toenam.

Historicus Harm Nijboer komt tot deze conclusie, na een statistische analyse van boedelinventarissen uit die tijd, en promoveerde daar deze maand op in Groningen. Nijboer bekeek in het stadsarchief van Leeuwarden 228 boedelinventarissen uit de periode 1582 tot 1707. Hij concentreerde zich op inboedels van de middenklasse: ambachtslieden, handelaren en winkeliers.

In de loop van de zeventiende eeuw blijkt het bezit van duurzame goederen, gemaakt van kostbaar materiaal, zoals tin- en koperwerk, sterk af te nemen. Het aandeel van modieuze goederen, gemaakt van goedkope grondstoffen, zoals porselein, sieraardewerk en schilderijen, neemt daarentegen flink toe.

Nijboer: „In het begin van de periode die ik onderzocht heb, waren mensen nog gewend hun vermogen weg te zetten in voorwerpen die gemaakt waren van waardevol materiaal. In de loop der tijd verandert dat, dan gaat men het vermogen steeds vaker in obligaties stoppen. Er ontstaat in de Gouden Eeuw een binnenlandse kapitaalmarkt waartoe grote delen van de bevolking toegang hebben en waar men het vermogen renderend kan wegzetten in de vorm van obligaties aan de staat en aan particulieren. Het wordt dan minder aantrekkelijk om vermogen in dood kapitaal te stoppen, zoals kostbare metalen.”

Dus kocht de middenklasse minder tin- en koperwerk, en was er opeens meer belangstelling voor andere spullen, zoals porselein en schilderijen. „Je moet dan denken aan prenten die op een stuk bordkarton waren geplakt, eenvoudige schilderijtjes en zo. Die werden over het algemeen toch gezien als producten van geringe levensduur, die mode-afhankelijk waren en na het overlijden niet veel opbrachten.”

In de loop van de zeventiende eeuw daalt de rentevoet, wat erop duidt dat het aanbod van obligaties op de binnenlandse kapitaalmarkt sterk toeneemt. Het aandeel van schilderijen, porselein en dergelijke in de door Nijboer onderzochte inboedels neemt toe, in ongeveer hetzelfde tempo. Die twee ontwikkelingen lopen mooi parallel, zegt Nijboer.

„Wat ik verder nog heb bekeken: wat betekende dit voor het praktisch handelen van mensen? Met de opkomst van die nieuwe kredietinstrumenten, werden verbintenissen tussen personen ook steeds vaker in een contract vastgelegd. Voor die tijd gebeurde dat veel minder. We weten dat in de laat-middeleeuwse samenleving veel verbintenissen op erewoord tot stand kwamen: de persoonlijke eer van de partijen diende als garantie.”

Door het gebruik van contracten wordt die persoonlijke eer minder belangrijk. Het onderling vertrouwen, dat voor het aangaan van verbintenissen noodzakelijk is, baseerde men nu op andere dingen. „De relatie tussen de contractueel verbonden partijen werd persoonlijker. Men wilde het gevoel hebben dat de ander een beschaafd persoon was. En ook het gevoel: ik mag jou, om persoonlijke redenen – waarbij het delen van voorkeuren en smaak de onderlinge verhouding kon bevorderen. De goederen die in opkomst waren, zoals schilderijen en porselein, gebruikte men om de persoonlijke smaak te tonen, en in zekere zin ook om te onderstrepen dat men beschaafd was – geciviliseerd.”

En die twee (modieuze goederen en persoonlijke smaak) liggen volgens Nijboer ten grondslag aan de huidige consumptiecultuur.