Het hellend vlak

Rita Verdonk, die zojuist de beweging ‘Trots op Nederland’ heeft opgericht, heeft zich eens een bewonderaarster van Thorbecke genoemd, wiens werken, zo zei zij, op haar nachtkastje lagen. Een stevig nachtkastje moet dat zijn! Hoe het ook zij, haar dagelijkse en nachtelijke bezigheden zullen haar belet hebben ooit iets van Schopenhauer te lezen.

Had ze dat wel gedaan, dan zou zij, bij het kiezen van een naam voor haar beweging, misschien een andere keus hebben gedaan, want volgens die Duitse filosoof – tien jaar ouder dan, maar net zo actueel als Thorbecke – is nationale trots „de goedkoopste soort trots van trots, want hij verraadt in degene die daarmee behept is, het gebrek aan individuele eigenschappen waarop hij trots zou kunnen zijn”.

Of om onze eigen Carry van Bruggen te parafraseren: die trots is gegrondvest op de verheffing, de verhoging, de morele instandhouding van het Ik. Wie zelf volstrekt niemendal is, kan zich, in Nederland, dan altijd nog geestelijk nazaat van De Ruyter, Rembrandt en ...Thorbecke wanen, terwijl hij geen enkel aandeel heeft gehad in hun verdiensten.

Op lager niveau is die verheffing en instandhouding van het Ik te vinden bij supporters van het Nederlands elftal, die zich met de gekste attributen tooien, zolang ze maar oranje zijn. Enig persoonlijk aandeel in de prestatie van dat elftal hebben zij niet. (In andere landen pronken supporters ook met tribale kentekenen, de Denen bijvoorbeeld met van koeiehorens voorziene Vikinghelmen.)

‘Trots op Nederland’ doet dus een beroep op de laagste kudde-instincten, die noodzakelijkerwijs gepaard gaan met vreemdelingenhaat. Let wel: je kunt je verbonden voelen met eigen land, het zelfs liefhebben, zonder er bepaald trots op te zijn. Trouwens: op welk Nederland moeten wij trots zijn? Op het Nederland dat Srebrenica op zijn geweten heeft? Op Nederland waarin Pim Fortuyn en Theo van Gogh werden vermoord? Dat zijn eerder aanleidingen tot schaamte.

Nu kunnen we daar gemakkelijk over smalen, maar dat alles betekent niet dat Rita Verdonk geen succes beschoren is. Ook Pim Fortuyn appelleerde met succes aan kudde-instincten, en Wilders en Marijnissen doen dit ook, ieder op eigen manier. Mits slim en eerder gemoedelijk dan fanatiek aangepakt, kan zo’n direct beroep op de massa meer dan een strovuur blijken. Marijnissen heeft dit aangetoond.

Het directe beroep op de massa is geen nieuw verschijnsel. In de eerste helft van de vorige eeuw hebben Mussolini en Hitler, in hun streven naar macht, dat ook gedaan. Dat was met het communisme niet het geval. Dit had er dan ook minder behoefte aan om, door eerbewijzen aan de democratie als referenda, te bewijzen dat het de steun van het volk had.

Dit wil niet zeggen dat Verdonk, Wilders en Marijnissen gelijkgesteld kunnen worden met die demonen van de twintigste eeuw. Hun ideologieën en intenties zijn andere. Maar als sociaal verschijnsel, waarvan zij de onbewuste, dus in zekere zin onschuldige exponenten zijn, hebben hun bewegingen meer gemeen met de terribles simplificateurs dan met Thorbeckes indirecte democratie, die nog ons staatkundig bestel is.

Maar als die faalt of haar zelfvertrouwen verliest en concessies gaat doen aan de directe democratie, dan plaatst zij zichzelf op een hellend vlak. Dat zij gefaald heeft door lange tijd de problemen van de multiculturele samenleving te negeren, ja te taboeïseren, is duidelijk. Dat velen zich daardoor van hún kant genegeerd voelden, daartegen tenslotte in opstand kwamen en hun heil verwachtten van – zij het nog niet terribles – simplificateurs, hebben we ook gezien.

Een van de concessies aan de directe democratie is het toelaten van het referendum, dat in strijd is met de indirecte of vertegenwoordigende democratie die wij in Nederland kennen. Het „biedt de volksvertegenwoordiging de mogelijkheid om haar verantwoordelijkheid te ontlopen en de beslissing aan het oordeel van de kiezer over te laten. Het is de methode van Pilatus: kies maar, ik was mijn handen in onschuld.”

Dit zei minister Donner een half jaar geleden in zijn Thorbeckelezing. En hij liet daarop volgen: „En als het referendum eenmaal voorbij is, dan zit de volksvertegenwoordiging met de brokken. Die zit dan met een uitspraak die onaantastbaar is, een ‘willekeurige’ uitkomst, die moet worden ingepast in de consistentie en coherentie van de overige besluitvorming.” Zie het referendum van 1 juni 2005, dat, tegen de meerderheid in de Kamer in, de Europese ‘grondwet’ afwees.

Kan dit proces teruggedraaid worden? Ogenschijnlijk heeft Lissabon vorige week Europa weer op de rails gezet, maar intussen blijkt, volgens een recente enquête, 70 procent van de bevolking in de vijf grootste landen van de Europese Unie van mening te zijn dat dit resultaat aan een referendum moet worden onderworpen. In de kleinere landen zal het wel niet anders zijn.

Kan deze vox populi straffeloos genegeerd worden? Of moet opnieuw het hellend vlak betreden worden? Nieuwe referenda dragen het gevaar dat ook het zogenoemde Hervormingsverdrag, substituut voor die ‘grondwet’, wordt afgewezen, en dan is het uit met de Europese samenwerking in haar huidige vorm. De grote landen zullen dan de zaak in handen nemen om te redden wat er te redden is, en de kleinere zullen zich bij het resultaat ervan moeten neerleggen.

Is dit te pessimistisch? Ook de Amsterdamse hoogleraar Politieke Theorie J. de Beus acht „instorting van het acquis communautaire, herstel van de traditionele Realpolitik tussen grote mogendheden en terugkeer naar afzijdigheid door kleine staten (...) niet meer denkbeeldig” (in een lezing die hij op 30 oktober a.s. in Zwolle gaat houden).

Tot microproporties teruggebracht, staat de VVD voor soortgelijk dilemma. De officiële kaders zijn blij dat Verdonk weg is, maar daarmee dreigt de partij ook een groot deel van haar electoraat kwijt te raken. Moet zij nu gaan concurreren met Verdonk en proberen die kiezers – die op z’n best economisch liberaal zijn – te behouden of terug te halen? Die strijd wint zij nooit. Of moet zij ‘uithuilen en opnieuw beginnen’? Met, als ’t moet, een Gideonsbende van echte thorbeckianen? Dan zou zij moeilijk zich nog volkspartij kunnen blijven noemen.