Gevaarlijk groen voor het milieu

Biobrandstoffen zijn goed voor een schoner leefmilieu, vindt de Europese Commissie.

Maar wat voor brandstof wordt gebruikt, kan niet meer als voedsel dienen.

Het vertrouwde pakje margarine, het dagelijkse stukje zeep en de orang-oetans in de tropische regenwouden van Indonesië dreigen slachtoffer te worden van de vergroening van het Europese energiebeleid.

Europa wil de komende jaren het gebruik van biobrandstoffen bevorderen, maar de plantaardige oliën die voor bijmenging in diesel geschikt zijn, zijn ook grondstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie. Raapolie wordt gebruikt voor de productie van margarine, palmolie voor zeep. Uitbreiding van de palmolieplantages in Zuidoost-Azië om te voldoen aan de stijgende vraag naar palmolie, gaat ten koste van het oerwoud.

„We stevenen af op een catastrofe”, zegt Willem-Jan Laan, de Europese directeur externe betrekkingen van voedingsmiddelengigant Unilever.

Unilever voert campagne tegen het gebruik van plantaardige oliën voor biobrandstof. De multinational hanteert daarbij argumenten zoals die sinds jaar en dag door activistische milieu- en ontwikkelingsorganisaties worden gebruikt. Vraagstukken van armoede, ontbossing en verdringing van voedselgewassen door grootschalige landbouw zijn vertrouwde thema’s voor andersglobalisten.

Laan erkent dat het ook eigenbelang is: de voedingsmiddelenindustrie ziet de prijzen voor grondstoffen stijgen als gevolg van de bevordering van biobrandstoffen. „Als je geen raapolie meer hebt, dan heb je ook geen margarine meer”, zegt hij tijdens een gesprek in Brussel.

In Brussel voerde Milieudefensie/Friends of the Earth onlangs actie tegen ‘foute palmolie’ omdat de ongebreidelde uitbreiding van palmolieplantages leidt tot illegale houtkap, afbranden van bossen, sociale misstanden en conflicten over eigendomsrechten in Indonesië en Maleisië.

„Als de Europese vraag naar palmolie (voor biobrandstof) blijft toenemen, zijn alle plannen om de vernietiging van de tropische regenwouden en overtredingen van sociale regels tegen te gaan, tot mislukken gedoemd”, zegt de Nederlandse campagnevoerder Paul de Clerck.

Het begon allemaal zo veelbelovend in 2003. De Europese Commissie kwam met een richtlijn (Europese wet) om biobrandstoffen te bevorderen. Het doel was om in 2010 een bijmenging van biobrandstoffen van 5,75 procent in conventionele brandstoffen te bereiken. Hierdoor zou de CO2-uitstoot verminderen en dit zou ten goede komen aan het bereiken van klimaatdoelstellingen.

Europa richtte zich met name op het gebruik van plantaardige olie in diesel. Dit jaar bleek dat alleen Duitsland en Zweden min of meer op schema zitten. De Europese regeringsleiders besloten daarop om de druk te vergroten en spraken in maart af dat in 2020 een verplicht percentage van 10 procent biobrandstoffen moet zijn bereikt.

Het biobrandstofprogramma bekrachtigde het ‘groene imago’ van Europa. Bijkomend voordeel: het vermindert de afhankelijkheid van olie-importen. Daarnaast geeft het de automobielindustrie extra tijd voor kostbare investeringen in schonere brandstofmotoren. Tot slot is de landbouwsector gepaaid, omdat de vraag naar oliehoudende gewassen toeneemt, en daarmee de jarenlange inkomstendaling voor boeren wordt gekeerd.

Terwijl de Verenigde Staten zich toeleggen op mais en Brazilië op suikerriet voor de productie van alcohol dat toegevoegd wordt aan (en in Brazilië een vervanging is van) benzine, richt Europa zich op plantaardige oliën ter vermenging met diesel.

Als grondstof komt hiervoor raapzaad in aanmerking, dat vooral in Duitsland en Frankrijk op grote schaal wordt verbouwd. Daarnaast is tropische palmolie ook geschikt voor vermenging.

Met de gevolgen voor de vraag had het Europese biobrandstofproject geen rekening gehouden. Er waren geruststellende berekeningen dat hooguit vijftien procent van het Europese landbouwareaal voor het verbouwen van gewassen voor biobrandstoffen benut zou worden.

Maar voor raapzaad, heeft Unilever berekend, is over een jaar of tien het totaal beschikbare areaal in Europa onvoldoende om aan de biodiesel-doelstelling te voldoen. Dan moet Europa raapzaad invoeren om de productie van margarine en slasaus op gang te houden.

De voedselzekerheid komt hierdoor in gevaar, zegt Willem-Jan Laan van Unilever. In ieder geval zullen de voedselprijzen omhoog gaan. Niet alleen de prijzen van raapzaad, ook van zonnebloemzaad en sojabonen, van mais en van granen in het algemeen schieten sinds begin dit jaar wereldwijd omhoog.

Bij palmolie, per definitie afkomstig uit tropische landen, spelen ook andere risicofactoren. De bevolking van ontwikkelingslanden zal te maken krijgen met stijgende voedselprijzen. India en China hebben om die reden besloten om plantaardige olie niet te verbranden als biodiesel, en Indonesië heeft de exportheffing op palmolie verhoogd.

In Nederland, dat dit jaar het bijmengen van 2 procent biodiesel verplicht stelt, worden nauwelijks geschikte oliehoudende gewassen geteeld. Nederland is dus vrijwel geheel afhankelijk van import voor het bereiken van de doelstelling voor biobrandstof.

Laan van Unilever: „In Nederland wordt te gemakkelijk gesteld dat biomassa voor het grootste deel uit andere landen geïmporteerd kan worden. Maar de brandstofdollar van de rijken moet niet gaan concurreren met de voedseldollar van de armen”.

De voedingsmiddelenindustrie én de milieubeweging zijn in Brussel en in de Europese lidstaten een lobby begonnen om deze bezwaren van het biobrandstofprogramma over het voetlicht te brengen.