Allison (79) heeft nog altijd plezier

Concert: Mose Allison Trio. Gehoord : 24/10 BIMhuis, Amsterdam.

Over twee weken wordt hij tachtig, maar wie hem hoort zingen denkt eerder aan een man van 35. Niet omdat hij zo krachtig uit haalt – hij bestrijkt nauwelijks één octaaf – maar door de klank van zijn stem die iets onbedorvens heeft.

Als zanger lijkt Mose Allison daardoor een beetje op de oude trompettist Chet Baker die, als hij ging zingen, ook wist te klinken als een jongen. Wat Allison ook met Baker gemeen heeft is een gebrek aan zangtechniek; geen mens zal zeggen dat hij vals zingt, maar intoneren is niet zijn fort.

De carrière van Allison vertoont veel overeenkomst met die van Nat ‘king’ Cole die aanvankelijk zijn voorbeeld was. Ook Allison begon als begeleidend pianist, van onder anderen saxofonist Stan Getz, maakte daarna een pianoplaat op eigen naam, zong al spelend soms een enkel liedje tot hij ontdekte dat hij als zanger een groter publiek kon bereiken dan alleen als pianist.

Waarin Allison zich vanaf het begin onderscheidde van zowel Baker als van Cole was dat hij ook productief was als schrijver. Van indringende composities als het bijna vergeten Devil in the Cane Field tot vaak gecoverde liedjes als Everybody Cryin’ Mercy en Parchman Farm. Het laatste stuk is genoemd naar een gevangenis in Mississippi, de staat waarin Allison zijn oren vulde vóór hij in 1956 naar New York vertrok.

Bij elke geleende song die Allison gisteren in het uitverkochte BIMhuis zong, vermeldde hij de maker: van Robert Lockwood tot Percy Mayfield. De meest spitse teksten komen echter van hemzelf zoals die van How Much Truth Can a Man Stand en Getting There. Zijn pianospel klinkt verbazend fris en ook bassist Roy Babbington en drummer Paul Clarvis weten de suggestie te wekken dat het repertoire pas gisteren werd bedacht.

Dat Mose Allison er nog altijd plezier in heeft, twee sets van een uur en dan nog een toegift, moet wel te danken zijn aan het feit dat hij altijd zichzelf is gebleven. De tekst van I Love the Life I Live, een liedje dat hij leende van Willie Dixon, lijkt dan ook op zijn lijf geschreven. Gewoon doen waar je je goed bij voelt, het was een houding waar hij velen mee inspireerde, van Van Morrison tot Herman Brood.