Afscheid van de ‘Grote Vriendelijke Reus’

In de ‘mistgedempte gouden schittering van de herfst’ werd gistermiddag de crematie van Jan Wolkers met toespraken ingeleid. De hele wereldliteratuur kwam voorbij.

„Heeft u een haantje”, vraagt de mevrouw aan iedere bezoeker die de aula van de Nieuwe Oosterbegraafplaats binnen wil lopen. Het is geen verwijzing naar de bij Jan Wolkers zo geliefde literaire traditie (‘We zijn Asklepios nog een haan verschuldigd’ zei Sokrates volgens Plato op zijn sterfbed), maar een manier om de bokken van de schapen te scheiden. Alleen wie een rouwkaart met gestempelde haan – de alternatieve handtekening van Wolkers – kan laten zien, mag naar binnen.

Beeldhouwer, schilder, schrijver Wolkers werd gistermiddag in Amsterdam gecremeerd. Op de begraafplaats zwermden de fotografen en cameraploegen. In de aula van de Nieuwe Ooster zaten 150 familieleden en vrienden, onder wie schrijvende collega’s als Hugo Claus en Remco Campert, politici als Hans van Mierlo en minister Ronald Plasterk, en Turks-fruitcoryfeeën als Rutger Hauer en Monique van de Ven. In twee grote partytenten achter de aula volgden enkele honderden andere belangstellenden de uitvaartdienst op de televisie.

Buiten heerste de ‘mistgedempte gouden schittering van de herfst’ waarover Wolkers schreef in een beroemd essay over John Keats. „De bomen waren behangen met doorwrocht geel en puur goudoker. Het leek wel of de goden die hem zo lief hadden gehad hem ook herdachten en van de hele wereld één groot feestelijk To Autumn maakten.” Binnen lag de vrijdag overleden Texelaar in een robuust-houten jutterskist, met handvatten van scheepstouw; een van zijn schilderijen, in vier vlakken verdeeld, vormde een atheïstisch kruis.

De plechtigheid begon om iets over half vier, met de ‘Air’ van Wolkers’ lievelingscomponist Bach en een introductie van Wolkersbiograaf Onno Blom, die onder meer de Shakespeare-tekst op de officiële rouwkaart citeerde: ‘We are such stuff / as dreams are made on, and our little life / is rounded with a sleep. Daarna klonk de kenmerkend-nasale kraakstem van de overledene die het gedicht ‘Winterslaap’ declameerde uit zijn Drieluik van herinnering en dood, waarin hij zijn eigen dood na het eten van ‘een boterham met dubbel jam’ voorspelde.

De eerste van zes sprekers was Wolkers’ uitgever, Bezige-Bijdirecteur Robbert Ammerlaan, die niet alleen vertelde over ’s kunstenaars laatste werk (een onbeschilderd wit doek, ‘een winterlandschap dat leeg is gebleven’), maar ook beschreef hoe Wolkers Nederland „heeft bevrijd van bekrompenheid en moralisme.” Hij noemde de schrijver „een goedhartige boswachter van de ziel in ons collectieve geheugen”, wat drie kwartier later door cultuurminister Plasterk werd bijgevijld tot „een Grote Vriendelijke Reus die ook een liefhebber van kleine beestjes was”.

Plasterk bracht ook met een Goethe-citaat de mooiste omschrijving van het multitalent: ‘Viel Personen sind in dir gestorben, Und du hast sie alle gut gespielt,’ en luidde Wolkers verder uit met het slot van het bijbelboek Prediker. Een mooi moment: een atheïstische maar bijbelvaste minister eerde de even atheïstische en vele malen bijbelvastere schrijver met de Nieuwe Bijbelvertaling.

Extreme emoties kwamen er niet aan te pas, gistermiddag. Daarvoor had de overledene een te mooie leeftijd en een te mooi leven gehad. Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes maakte reclame voor Het Groot Dictee dat dit jaar door Wolkers is geschreven (titel: De ladder naar lust); historicus en huisvriend Maarten van Rossem hield een conference over de Mensch Jan Wolkers; Remco Campert las een parlando-gedicht (‘al wachtend op de trein / bleek denken aan jouw dood / niet denken aan de dood / maar eerder aan het leven / zoals jij het vierde / uitbundig en voorbeeldig’); en weduwe Karina Wolkers sloot af met een verhaal over Jan als vader en bereider van copieuze maaltijden, als voeder en opvoeder.

Na afloop liepen alle bezoekers langs de kist, en vervolgens langs het bloemendefilé op het grasveld vóór de aula. Sommige mensen hadden briefjes geschreven, waarin Wolkers onder meer werd aangesproken als een ‘stralende 82-jarige God’ (wat hij overigens pas morgen zal zijn). Maar geen ervan was natuurlijk zo beeldend als wat Wolkers in 1994 (in een stuk over de moederborst in NRC Handelsblad) met de voor hem zo kenmerkende zwarte humor over zijn eigen uitvaart schreef: „Wel zie ik soms bij een dagdroom over mijn crematie mijn schamele overblijfselen die nog nasmeulen van de hitte des ovens door tientallen vrouwen met ontbloot bovenlijf bespoten en besprenkeld worden met het kostelijkste dat ze hebben. En dan zie ik een gestalte uit dat hoopje grijs gebeente aan de voeten van die lieflijke moeders opnevelen en als een arend wiens jeugd vernieuwd is opstijgen.”