Actie tegen kinderporno is kwestie van mensenrechten

Een verbod op het bekijken van kinderporno gaat ver. Het is een inbreuk op de vrijheid van informatie. Maar het doel ervan telt zwaarder dan die vrijheid.

Is het recht op het vrij ontvangen van informatie in gevaar als het kabinet behalve het bezitten, ook het bekijken van kinderporno strafbaar stelt? Kan zelfs de vrijheid om je ogen open te houden onder omstandigheden strafbaar gesteld worden?

Deze vragen dringen zich op nu minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) vandaag het verdrag van de Raad van Europa ondertekende ter Bescherming van kinderen tegen seksuele exploitatie en seksueel misbruik. Het antwoord is ja, maar vooral omdat die omstandigheden zeer nauw omschreven blijken.

Volgend jaar wil Hirsch Ballin de Nederlandse wet op één lijn brengen met dit verdrag. Het gaat dan om het „zich toegang verschaffen tot kinderporno via informatie- of communicatiesystemen en het bekijken van kinderporno zonder het eigenlijke bezit”. In de Europese verdragstekst staat het nog iets scherper geformuleerd. Het moet volgens artikel 20 lid 1 sub f gaan om „knowingly obtaining access, through information and communication technologies, to child pornography”. Dus het zich bewust toegang verschaffen tot kinderporno met behulp van informatie- en communicatietechniek. Niet om een toevallige confrontatie ermee op internet, of een ‘dwalend oog’ op straat of in een winkel.

Nu garandeert artikel 10 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens de burger het recht op het vrij ontvangen en verzenden van informatie en ideeën. Uitzonderingen daarop zijn mogelijk, maar gebonden aan strenge voorwaarden, vermeld in lid 2. Die uitzonderingen dienen door de wet te zijn voorgeschreven en moeten proportioneel zijn, namelijk noodzakelijk in een ‘democratische samenleving’.

Hoogleraar mediarecht Gerard Schuijt onderstreept dat het bij de nu voorgestelde beperking gaat om het ‘welbewust kiezen’ voor het kijken naar kinderporno. Niet om het per ongeluk ermee geconfronteerd worden. Die bewuste keuze zou door het OM dan ook bewezen moeten worden. Bijvoorbeeld doordat de ontvanger van de beelden ervoor betaald heeft.

Strikt genomen is er inderdaad sprake van een inbreuk op de vrijheid van informatie, zegt hij. „Maar die is er ook bij de verkoop van pornografie.” Die is ook verboden, zonder dat het een niet toegelaten beperking van de informatievrijheid oplevert. Er is immers sprake van een zogeheten doelcriterium dat artikel 10 voorschrijft: namelijk het beschermen van rechten van anderen. Het doel dat met de beperking wordt gediend is het tegengaan van de industrie die het misbruik van kinderen in stand houdt. Dat een dergelijke beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, lijkt hem voor de hand liggend. Over de verwerpelijkheid van kinderporno is een brede consensus. Artikel 10 laat bovendien beperkingen toe „ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden”.

Volgens de Leidse hoogleraar mensenrechten Rick Lawson verplicht het mensenrechtenverdrag uit zichzelf al tot actief ingrijpen tegen kinderporno. „Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens leidt uit de artikelen 3 en 8 een positieve verplichting af voor overheden om kwetsbare groepen te beschermen.” Artikel 3 omvat het verbod van foltering of onmenselijk dan wel vernederende behandeling. Artikel 8 omvat het recht op respect voor het privéleven, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. Als die rechten worden bedreigd dan moeten lidstaten daar actief tegen optreden.

Er is Lawson maar één geval bekend van een Europese burger die het Europese verdrag inriep om zijn recht op het verspreiden van pornografische informatie via internet te beschermen. Dat was een casus uit 2005 van de Fransman Stephane Perrin uit Londen, die in Straatsburg klaagde over zijn veroordeling wegens verspreiding van porno via internet. Perrin was verantwoordelijk voor een abonneewebsite voor liefhebbers van seks met uitwerpselen (coprofilie), wat hem op een gevangenisstraf van 30 maanden kwam te staan.

Maar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is altijd huiverig geweest voor het supranationaal definiëren van ‘goede zeden’. Weliswaar valt onder de vrijheid van informatie ook het verspreiden van informatie die shockeert, verwart of kwetst. Dat zijn nu eenmaal de eisen van tolerantie, pluriformiteit en vrijzinnigheid, „zonder welke een democratische samenleving niet kan bestaan”. Maar er kan geen Europese norm van moraliteit worden vastgesteld, aldus het Hof. Dat moet overgelaten worden aan de lidstaten zelf.

Meer over de Europese conventie over kinderporno via www.coe.int