Wolkers (3)

Zijn flat aan de Zomerdijkstraat 22 huis in de Amsterdamse Rivierenbuurt zou voor Jan Wolkers vooral verbonden blijven aan drie relaties met vrouwen, aan zijn dochtertje Eva en aan zijn poes Voske.

Eva werd in 1949 geboren uit zijn huwelijk met Maria de Roo, een uit Goes afkomstige apothekersassistente. Twee jaar later overleed Eva in de woning aan de Zomerdijkstraat ten gevolge van een ongeluk met heet badwater. Wolkers heeft daar lang niet over willen praten en schrijven. Hij geeft de tragedie pas in 1963 een plek in zijn roman Een roos van vlees.

„De kamer is weer om hem vol ruzie en bitterheid. En het water komt weer door het plafond langs de muur stromen. Sonja rent naar boven toe. Haar wanhopige stem. Het is geen stem meer, het is het gekreun van een gewond dier. Wat heeft ze allemaal doorgemaakt daarboven. Ze heeft het meisje uit de wastafel met heet water getild en hier in een teil met koud water in de douche gezet. Toen ze met het kindje in een deken gewikkeld met de ziekenauto vertrokken was vond ik op de vloer van de douche het vel van haar handje.”

Wolkers bleef tot 1957 getrouwd met Maria de Roo, met wie hij twee zoons kreeg. Na korte tijd trouwde hij opnieuw, met Annemarie Nauta. Hun relatie, voor een deel beschreven in Turks Fruit, was tegen 1961 alweer voorbij. Twee jaar later belt Karina Gnirrep als 17-jarige scholiere met een vragenlijstje bij de 20 jaar oudere Wolkers aan. „Nee, het was geen rel toen zij bij me bleef”, vertelde Wolkers later, „Karina kwam uit een progressief milieu. Haar vader was een van de initiatiefnemers van de Februaristaking in 1941.”

Wolkers en Karina trouwen pas in 1981, waarna ze naar Texel verhuizen waar hun tweeling Bob en Tom zal worden geboren.

Hoeveel emoties de verhuizing naar Texel bij Wolkers losmaakte, blijkt uit het openhartigste interview dat hij ooit heeft gegeven. Frits Barend en Henk van Dorp zochten hem op voor een anderhalve pagina lang interview in het kerstnummer van 1981 van Vrij Nederland. Op vragen van het verslaggeversduo vertelt Wolkers tot in het intiemste detail hoe hij met zijn vrouw de liefde bedrijft.

Het wordt bijna erotische slapstick als hij staande een demonstratie geeft op de vraag: „Heeft u onder het neuken uw armen gestrekt, zodat u erop kunt steunen?” Terwijl Wolkers het voordoet, komt Karina de kamer binnen, overziet het tafereel en roept: „Hè, wat een stelletje viezeriken.”

Maar Wolkers krijgt het te kwaad als hij zijn afscheid van de Zomerdijkstraat beschrijft. De laatste nacht hadden Karina en hij op een matrasje in het lege huis doorgebracht.

„De volgende ochtend namen we niet alleen afscheid van een huis. Het was afscheid van veel mensen die me lief en dierbaar zijn geweest, van eh…eh….eh…eh..nou van mijn kat Voske, van Gerrit Jan van der Veen. Ik woonde daar dertig jaar, ik…”

Een lange stilte. Zenuwachtig schuifelen op de stoel (…) Wolkers, langzaam en zacht pratend: „Sorry, ik kan niet meer. Laten we even stoppen.” Zijn ogen tekenen rood, hij maakt slikkende geluiden (…) We zitten zwijgend tegenover elkaar. Karina kijkt omhoog. Ze fluistert zonder richting: „In dat huis is een dochtertje van Jan omgekomen.”