Wie is leuk en wie niet?

Een socioloog onderzocht hoe kinderen en pubers hun vrienden uitzoeken.

Een beetje antisociaal gedrag is wel cool. Maar dat alleen maakt niet geliefd.

Je weet nog uit je eigen tienerjaren hoe ontzettend belangrijk vrienden zijn, zegt promovendus Jan Kornelis Dijkstra. „Wie vindt wie leuk. En wie vindt wie stom.” Dijkstra onderzocht hoe het komt dat vriendschappen tussen pubers lukken en andere vriendschappen mislukken. En waarom is de ene jongen populair en vindt iedereen de andere een sukkel?

Het onderzoek van socioloog Dijkstra is onderdeel van een door de Rijksuniversiteit Groningen en de Erasmus Universiteit Rotterdam opgezet onderzoek naar de sociale en mentale ontwikkeling van jongeren. Tweeduizend jongeren worden tussen hun 11de en 25ste jaar elke twee jaar uitgebreid onderzocht en ondervraagd. Inmiddels zijn deze jongeren 16 en 17 jaar oud. Dijkstra gebruikte de metingen tot nu toe.

In groep acht van de basisschool hield Dijkstra een soort ‘Idols contest’. De kinderen konden klasgenoten nomineren na de vraag: Wie vind je leuk en wie niet? Anoniem, dat wel. Het belangrijkste aspect om leuk gevonden te worden, bleek het geslacht. Op die leeftijd vinden jongens jongens leuker en meisjes meisjes. Hulpvaardige kinderen werden ook al snel leuk gevonden. Dijkstra: „Dat zijn gewoon fijne kinderen.”

Dijkstra vroeg de kinderen ook of ze gepest worden en door wie. Het ligt voor de hand, dacht hij, dat kinderen die pesten niet aardig worden gevonden. Het bleek deels anders: „Seksegenoten die pesten, vinden zowel jongens als meisjes niet leuk. Maar jongens blijken meisjes die pesten íets leuker te vinden dan meisjes die niet pesten.”

Hoe kan dat nou?

„Ik denk omdat jongens op die leeftijd meisjes leuk vinden die zich jongensachtig gedragen. Pesten wordt jongensachtig gevonden. Meisjes bleken jongens die hulpvaardig zijn, iets leuker te vinden. Ik denk omdat ze hen meisjesachtiger vinden.”

Bij wat oudere kinderen, zeg 14 jaar, gaat het niet alleen meer om pesten. Je ziet een enorme toename van antisociaal gedrag bij adolescenten, zegt Dijkstra. Jongeren van die leeftijd ervaren zichzelf als (bijna) volwassen, maar ze worden door de omgeving als kinderen behandeld. Een aantal heeft de neiging zich onaangepast te gedragen om daarmee hun volwassenheid te benadrukken. Bijvoorbeeld door alcohol of drugs te gebruiken. Of door delinquent gedrag.

Dijkstra vond dat op deze leeftijd antisociaal gedrag kán bijdragen aan de populariteit, maar het blijkt een bijzaak. Goed zijn in sport en er leuk uitzien, bleken belangrijker. Maar die kinderen kunnen zich veroorloven om zich negatief te gedragen zonder dat leeftijdgenoten op hen afknappen. Juist de combinatie van positieve en negatieve aspecten versterkt hun populariteit.

Worden die populaire kinderen nu ook leuker gevonden door leeftijdgenoten?

„Ja, door de ándere sekse. Een meisje vindt een populaire jongen leuk, maar hij wordt niet per se door andere jongens leuk gevonden.”

Waarom niet?

„Populariteit is status. Status is een onderlinge competitie. Jongens concurreren onderling om status, net als meisjes dat onderling doen. Populaire jongens hebben zodoende een nogal ambigue relatie met seksegenoten.”

En wie selecteren de populaire kinderen als vriend?

„Populaire kinderen kiezen ander populaire kinderen als vriend, maar ook vrienden die op alle fronten net iets minder scoren dan zijzelf. Dus net iets minder knap, iets minder goed in sport en wellicht ook iets minder negatief gedrag. Het lijkt een strategische zet. Andere populaire kinderen zijn jouw concurrenten. Door vrienden om je heen te verzamelen die net iets minder zijn dat jijzelf, accentueer je je eigen populariteit.”

Zijn populaire jongeren berekenend in hun vriendschappen?

„Ja, dat is een opmerkelijke uitkomst. Ze hebben bewust of onbewust een doel dat ze met de vriendschap willen bereiken.”