Joods

Asscher is een naam die zo joods is als maar zijn kan. Maar met godsdienst heeft de auteur niets. Toch kan hij, als hij dat zou willen, zich in zijn werkkamer een joodse schrijver noemen.

„Ben jij joods?” Het antwoord op deze vraag, die meestal met onschuldige bedoelingen wordt gesteld, plaatst mij voor een lastig dilemma.

Ik heb het vaak genoeg geprobeerd, maar het lukt mij werkelijk niet op deze vraag een eenduidig antwoord op te geven. Het hangt er ook vanaf wie het vraagt, en waarom. En waar.

In religieus opzicht ben ik het niet. Godsdienst betekent zo goed als niets voor me, ook de joodse niet. Volgens de traditionele joodse wet ben ik het evenmin, want mijn moeder heeft geen druppel joods bloed in haar familie.

Maar wel heb ik één joodse grootouder en drie joodse overgrootouders van vaders kant, wat overigens geloof ik niet genoeg geweest zou zijn om volgens de Neurenbergse rassenwetten van 1938 als jood te boek te staan.

Niettemin is mijn achternaam zo joods als hij maar zijn kan, dus ligt het voor de hand dat men er af en toe naar informeert.

Het woord ‘halfjood’ is een onplezierige term, al was het maar omdat hij suggereert dat er voor mij een keuze zou zijn, als bij een halfvolle of halflege fles die men kan vullen of juist kan legen. De mogelijkheid van die keuze heb ik dan ook nooit zo ervaren.

Eerder is het de omgeving en de situatie waarin ik mij bevind, die bepaalt of ik met ja of nee antwoord.

In een niet-joodse omgeving luidt mijn antwoord eerder bevestigend; men wil zijn afkomst nu eenmaal niet verloochenen. In joodse kring zou ik geen ja durven zeggen, ook omdat dat strikt genomen een leugen zou zijn.

Curieus genoeg ervaar ik dezelfde onbenoembaarheid wanneer mij gevraagd wordt of ik schrijver ben. In aanwezigheid van schrijvers zou ik het aanmatigend vinden om volmondig ja te antwoorden. Van huis uit ben ik jurist, jarenlang ben ik uitgever geweest, daarna ambtenaar en sindsdien boekhandelaar.

Het feit dat een mens daarnaast, in wat zijn vrije tijd wordt genoemd, ook enkele boeken heeft gemaakt, verleent nog geen aanspraak op het schrijverschap. Maar als een vreemde mij in de trein of op straat vraagt of ik de schrijver Maarten Asscher ben, dan kost het me geen moeite om dat te erkennen.

Misschien suggereert deze parallellie tussen schrijverschap en jodendom wel dat ook het jodendom iets is dat je niet enkel aan een geboorterecht kunt ontlenen, maar dat je moet waarmaken. Cultureel, historisch, levenskunstig gesproken zou me dat best interesseren, maar ik word ervan afgehouden – naast luiheid en tijdgebrek – door een volkomen afwezigheid van de drang om ergens bij te willen horen.

Dat is nu juist weer een van de aantrekkelijke aspecten van het schrijverschap, dat het een volstrekt individueel vertrek- en eindpunt in het leven verschaft.

In de eenzaamheid van mijn werkkamer zou ik mij dus, als ik dat zou willen, een joodse schrijver kunnen noemen; honderdduizenden zijn mij daarin voorgegaan, iets wat perfect aansluit bij de definitie van een jood die ik de Israëlische schrijver Yoram Kaniuk eens hoorde geven: „Iedereen die gek genoeg is om zich een jood te noemen, is een jood.”

Hetzelfde moet, lijkt mij, gelden voor het schrijverschap.