Investeringen wil India, geen hulp

In het kielzog van koningin Beatrix trekt een handelsmissie door India. Nederland is de vierde investeerder. De tijd van pionieren is voorbij.

Ontwikkelingsgeld voor India heeft plaatsgemaakt voor harde investeringen in een snelgroeiende economie. Tot 2003 was India nog de grootste ontvanger van Nederlandse hulp. Daar was na veertig jaar in India geen behoefte meer aan. Het land dat al jaren ‘Chinese groeicijfers’ laat zien, zit wel te wachten op buitenlandse investeerders.

Met het oog hierop trekt minister Maria van der Hoeven (Economische Zaken, CDA) in het kielzog van het staatsbezoek van koning Beatrix momenteel met een handelsmissie door India. Acht bestuurders van grote Nederlandse bedrijven spreken met lokale bedrijven, de Indiase premier en minister van Handel. Ze mogen ook aanschuiven bij het staatsbanket.

De interesse voor zakendoen in India is groot, zegt Ram Lakhina, voorzitter van de Nederlands-Indiase kamer van koophandel. „We kunnen de vraag naar advies amper aan”. Lakhina adviseert Nederlandse bedrijven die willen profiteren van de Indiase groei. Hij kwam eind jaren zestig naar Nederland en zette een handel in vrijetijdskleding uit India op. „Ik was een pionier”. Die tijd is allang voorbij. Vooral de laatste jaren gaat het hard. De handel tussen beide landen is in tien jaar verdrievoudigd. Van alle Europese landen investeert het Nederlandse bedrijfsleven het meest in India.

India is vooral bekend voor het kantoorwerk dat daar tegen lage uurlonen is uit te voeren. „Eerst was het de automatisering die Nederlandse bedrijven aan India uitbesteedden, nu is het ook financiële dienstverlening zoals de accountancy en de boekhouding”, zegt Marco Freriksen van Eastern Enterprise, dat kleine Nederlandse bedrijven koppelt aan Indiase leveranciers. „Het gaat ook om bedrijfjes die twee of drie mensen in dienst hebben. Dat is echt iets van de laatste jaren. In 2002 dacht iedereen nog: India, wat moet ik daar doen?”

Maar het is niet alleen eenrichtingsverkeer van Nederland naar India. Het Indiase Tata Steel nam begin dit jaar staalconcern Corus, waar de vroegere Hoogovens deel van uitmaken, over. „Dat heeft voor veel ondernemers de ogen geopend voor de economische ontwikkeling van het land”, zegt Lakhina. In totaal zijn zo’n vijftig Indiase bedrijven in Nederland actief volgens werkgeversvereniging VNO-NCW. En het is niet alleen de import uit India die groeit. De scheepscontainers terug naar India zitten vooral vol met metaalschroot, plastickorrels en oud papier.

India is heel voorzichtig met het openstellen van de thuismarkt voor consumentenproducten. De detailhandel is door hoge tariefmuren nog grotendeels afgeschermd voor buitenlandse bedrijven.

Het importeren van een container goederen in India kost volgens de Wereldbank 910 dollar (640 euro), in China is dat minder dan de helft. Vooral landbouwproducten zijn in India moeilijk in te krijgen. Ook het exporteren vanuit India is relatief duur. De Indiase tarieven daarvoor zijn ook twee keer zo hoog als in China.

Produceren in India is heel goedkoop, kinderarbeid is daar de schaduwkant van. De Tweede Kamer wil dat de Nederlandse regering kinderarbeid aankaart bij het staatsbezoek aan India. Kinderarbeid bestaat, erkent Lakhina, „maar niet op het niveau zoals in de Nederlandse media wordt weergegeven”. Het probleem schuilt volgens hem in de kleine dorpen. „Kinderen moeten daar hun ouders helpen om financieel rond te komen.” Of Nederland kinderarbeid nu aanroert of niet, het zal volgens Lakhina voorlopig niet verdwijnen. „Voor kinderarbeid geldt hetzelfde als voor corruptie: het kost tijd om het uit te bannen.”