Hongaarse oppositie laat zich niet opjagen

Een jaar na de grote rellen in Hongarije demonstreerde de oppositie gisteren weer.

Maar ze liet zich deze keer niet van de straat jagen door extreem-rechtse relschoppers.

Duizenden aanhangers van de oppositiepartij Fidesz demonstreren op de 51ste verjaardag van de Hongaarse opstand. Foto Reuters Thousands of followers of Hungarian opposition party Fidesz hold a rally to commemorate the 51st anniversary of the country's 1956 uprising against the Soviet Union in Budapest, October 23, 2007, one day after clashes between anti-government protesters and police. REUTERS/Laszlo Balogh (HUNGARY) REUTERS

Bang dat het weer uit de hand loopt? „Ben je gek”, zegt een jongen die onder een terrasluifel met vriendin en schoonouders schuilt voor de striemende regen. Ze nemen een borrel om wat op te warmen. Zometeen begint de manifestatie van de rechts-conservatieve oppositiepartij Fidesz. Ze zijn er speciaal voor naar de Hongaarse hoofdstad Boedapest gereisd. „We laten ons niet van de straat jagen door relschoppers.”

Duizenden agenten van de mobiele eenheid bepaalden gisteren het beeld in de Hongaarse hoofdstad, tijdens de jaarlijkse herdenking van de Hongaarse opstand van 1956 tegen het Sovjetbewind.

Maandag, aan de vooravond van de herdenking, kwam het tot gevechten tussen politie en relschoppers die met molotovcocktails, stenen en flessen gooiden. De mobiele eenheid zette traangas en waterkanonnen in tegen de betogers die het aftreden eisen van de Hongaarse premier Ferenc Gyurcsány.

Een dag later blijkt dat de politie met het ergste rekening houdt. Op alle strategische plekken in de stad staan ME-bussen gereed. Agent KJO113 speelt nerveus met een spuitbusje pepperspray dat aan zijn ringvinger bungelt.

Al ruim een jaar heerst er onrust in Hongarije. Het land, sinds 2004 lid van de Europese Unie, kampt met een flink begrotingstekort en achterstallig onderhoud in onderwijs en gezondheidszorg. Sommigen noemen het een crisis. Anderen zeggen: het is een kater, opgelopen bij de EU-toetreding die de kloof tussen arm en rijk alleen maar heeft vergroot.

Om het begrotingstekort terug te dringen wil Gyurcsány bezuinigingen en hervormingen doorvoeren. Maar die pijnlijke boodschap krijgt de premier niet verkocht sinds hij onder vuur ligt na het uitlekken van een geheime speech die hij vorig jaar voor partijgenoten hield. Daarin gaf Gyurcsány toe al jaren te hebben gelogen over de economie.

De woede over de ‘leugenspeech’ mondde vorig jaar op 23 oktober uit in een veldslag op straat tussen politie en demonstranten waarbij honderden gewonden vielen.

We zijn een jaar verder en er is niets veranderd, verzucht Orsi Réthely, een Hongaarse werkzaam aan de universiteit in Boedapest. „Er zijn geen bruggen gebouwd, niemand heeft een oplossing.”

Oppositieleider Viktor Orbán (Fidesz) erkent de regering-Gyurcsány niet en verlaat al een jaar lang het parlement zodra de premier daar het woord neemt. Volgens Orbán wordt Hongarije geleid door „een netwerk van socialisten die Europese subsidiegelden verduistert”.

In de namiddag hebben ruim tweehonderdduizend demonstranten zich verzameld op een kruispunt waar Orbán de menigte oproept om in een aanstaand referendum tégen Gyurcsánys hervormingen te stemmen. Uit luidspeakers schalt Hongaarse volksmuziek. „Gyurcsány-pleepapier” staat op een tentje waar wc-rollen worden uitgedeeld.

Op een videomuur worden archiefbeelden getoond uit 1956 toen de Hongaarse opstandelingen oog in oog stonden met Sovjettanks. De boodschap van de regisseurs van de manifestatie is overduidelijk: het massale protest van nu heeft wortels in de opstand van toen.

Maar later op de dag krijgt Orbán kritiek uit eigen gelederen. Fidesz-kopstuk Lajos Kósa, vaak genoemd als mogelijke opvolger van Orbán, spreekt zijn afkeer uit over het trekken van een parallel met 1956. „Toen heerste er een communistische dictatuur, nu hebben we democratie.” Met rellen en betogingen krijgen we de regering niet ten val, zegt Kósa. „We moeten ons als oppositie voorbereiden op de periode na Gyurcsány, dus na de verkiezingen in 2010.”

Na afloop van de Fidesz-manifestatie trekken de tienduizenden weer door de straten, op weg naar parkeerplaatsen en stations. En meteen loeien de eerste sirenes. ME’ers komen in beweging. Verderop in de stad verzamelen zich kleine groepjes relschoppers. Maar niemand die zich er nog aan stoort. „We zijn het inmiddels gewend”, zegt een natgeregende jongen. Hij rolt zijn Hongaarse vlag op en gaat op huis aan.