Een zielig stukje tape om de neus

V. Belin. ‘Michael Jackson’, 2003 Belin, Valérie

Tentoonstelling: Valérie Belin, t/m 25 nov in Huis Marseille, Keizersgracht 401, Amsterdam. Open di t/m zo 11-18u. Inl: 020-5318989, www.huismarseille.nl. Catalogus € 50,-

De Franse fotografe Valérie Belin (1964) beheerst het spel van licht en donker meesterlijk. Op haar zwart-witfoto’s, te zien op haar overzichtsexpositie in Huis Marseille, absorbeert het grijs bijna al het licht. Maar toch sprankelen de lichtpuntjes, net genoeg om een beeld op te roepen. In de jaren negentig fotografeerde ze zacht glanzend zilverwerk en weelderige Venetiaanse spiegels, die slechts zwart terugspiegelden. Ze richtte haar lens op motorblokken en autowrakken met versplinterde voorruiten. Maar dramatisch waren die foto’s niet. Belin documenteert geen gebeurtenissen. Het gaat haar om vorm en volume. Haar fotografie oogt kil en zakelijk. Dat zorgt voor een vervreemdend effect.

Het afgelopen decennium verschoof Belin haar focus van dingen naar mensen, en dan met name vrouwen. Haarscherp legt ze modellen vast, zwart en wit van huidskleur. De reeks foto’s van zwarte modellen is het meest indringend. Gehuld in witte T-shirtjes lijken hun halzen en hoofden op klassieke Romeinse portretbustes. Het oogwit contrasteert met de donkere huid en de gitzwarte ogen. Belin maakt van de zwarte jonge vrouwen een grafisch spektakel. Ook hier strijden donker en licht, zwart en wit, onderling om de aandacht.

Eigenlijk maakt het niet uit waar ze haar lens op richt: of het nu schoothondjes zijn met de tong uit de bek, of jonge modellen met lippen badend in de lipgloss. Belin kadert haar onderwerpen streng in. Ze smeedt ze tot uniforme beelden. Vrouwen kijken in Belins foto’s allemaal hetzelfde, met een neutrale blik. Naarstig moet je op zoek naar verschillen in ogen, in mond. Je zou bijna geloven dat jonge vrouwen echt allemaal op elkaar lijken.

Bij Belin lijkt een huid van vlees en bloed kunstmatiger dan een gave huid van kunststof. Als ze de koppen van paspoppen vastlegt dan lijken die kunststof gezichten vreemd genoeg veel levendiger dan de levenden. De poppen kijken brutaal, zinnelijk zelfs. Ze hebben een breder scala aan gezichtsuitdrukkingen dan hun menselijke tegenhangers.

Zelfs als Belin in kleur fotografeert (Models II, 2006) is de huid van haar modellen van een kunstmatig porselein. De haren glanzen synthetisch. Belin doet er alles aan om ze zo gelijkvormig neer te zetten: in driekwart, met allemaal dezelfde schaduw onder hun kin.

Ze zijn objecten geworden, net zo goed als de spiegels en het zilverwerk. Zo schudt de fotografe de waarneming lekker op: dat wat leeft, lijkt anorganisch en dat wat bevroren is, lijkt echt.

Door de strenge kadering haalt ze bijna al het eigens uit haar onderwerpen. Daarin is ze goed, maar haar werkwijze zorgt wel voor een indringende saaiheid en levenloosheid, die reeks na reeks steeds meer gaat opvallen. Er zijn twee uitzonderingen: de portretten van arme Michael Jackson-lookalikes en van transseksuelen. De Jackson-fans, die met stukjes tape hun neus versmallen en met make-up een flinke groef in hun kin tekenen, zijn net zo min zichzelf als de andere modellen. Maar met hun vergaande toewijding roepen ze wel sympathie op, en soms medelijden.

De transseksuelen zijn geen ideale schoonheden, maar vrouwen-in-wording met een zachte blik en een iets te brede kaaklijn. Zij doen je des te meer beseffen wat in Belins andere werk gaat steken en wringen: ze ontmenselijkt haar modellen. Daardoor wil ze onderzoeken wat een individu tot een individu maakt. Maar een antwoord geeft ze niet. Er is alleen die leegte, die visuele perfectie. En dat is niet genoeg.