Door de ogen van Osama

Osama bin Laden is weer op de televisie verschenen, deze keer om de broeders in Irak te manen de onderlinge strijd te staken om met vereende krachten de grote Amerikaanse satan te bevechten.

Hoe zou het met onze grote vijand gaan? Hij zag er niet slecht uit. Hij is onvindbaar, woont misschien ergens in een grot, in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan, of verhuist voortdurend. In ieder geval is hij voorzien van de modernste communicatiemiddelen, houdt zich van dag tot dag op de hoogte van de strijd. Die duurt nu zes jaar en bijna twee maanden, als we de aanval op het World Trade Center als het begin beschouwen.

Laten we eens proberen om de wereld door zijn ogen te bekijken. Hoe staat het er met de grote strijd voor? Een aanslag met gekaapte vliegtuigen is heel moeilijk geworden. De luchthavens zijn tot frontgebied verklaard, iedere passagier is een potentiële verdachte en wordt steeds zorgvuldiger als zodanig behandeld. Onze inlichtingendiensten zijn geperfectioneerd en worden nog altijd beter. Ondanks alle weerstand van comités tot verdediging van de burgerrechten is het afluisteren van telefoongesprekken in Amerika tot een aanvaarde praktijk geworden. Met de technische kant van de westelijke zelfverdediging is het wel in orde, al hebben de verbeteringen de verhoudingen in de open democratie aangetast. Dit is niet Osama’s grootste zorg.

Sinds de Amerikaanse overwinning op de Talibaan, zes jaar geleden, zit een aantal van zijn trouwe strijders gevangen in het kamp Guantanamo Bay. Zijn daardoor hiaten in zijn gelederen geslagen? Misschien in het begin, maar die zijn later ruimschoots opgevuld. Guantánamo – Gitmo zoals het wordt genoemd – tast het internationaal prestige van Amerika aan. In de binnenlandse politiek is het daar een bron van conflict geworden, en voor de grote satan eerder een last dan een voordeel. Een andere Amerikaanse misstap, Abu Ghraib, is in de Arabische wereld niet vergeten. Gitmo en Abu Ghraib zijn in het Midden-Oosten anti-Amerikaanse propagandamachines.

Nadat de Talibaan als verslagen werden beschouwd en Osama bin Laden tot machteloze vluchteling gereduceerd, concentreerden de Amerikanen zich op Irak. Waarschijnlijk had hem geen groter strategisch geluk kunnen overkomen. Viereneenhalf jaar later heeft de grote satan zich daar vastgevochten, is er in Amerika geen partij die een geloofwaardige of uitvoerbare oplossing weet en is Irak een groot rekruteringsgebied voor terroristen. Bovendien heeft dit geruïneerde land nog een functie. Het dagelijks nieuws over de oorlog, de verwoestingen, de doden en de vluchtelingen dient ook weer de anti-Amerikaanse propaganda. En het is niet uitgesloten dat door dit schouwspel van verwoesting in hun gebied van herkomst de radicalisering van moslims in West-Europa wordt bevorderd.

In de afgelopen zes jaar heeft zich nog een front ontwikkeld dat voor Osama en zijn bondgenoten kansen biedt. In Pakistan is Amerika’s bondgenoot, president Musharraf, in moeilijkheden geraakt. Radicale moslims bedreigen de corrupte en wankele democratie. Benazir Bhutto, leider van de oppositie, keerde terug uit haar vrijwillige ballingschap. Terwijl ze haar triomfantelijke intocht hield, ontploften er twee bommen waarbij 136 doden vielen. Het gerucht gaat dat de veiligheidsdiensten door terroristen zijn geïnfiltreerd. Niets is nog betrouwbaar in Pakistan. In januari zijn er verkiezingen. Daarbij zal de terreur zich niet onbetuigd laten. Vergeten we niet dat Pakistan een kernmacht is.

Pakistan is in deze oorlog tot een sector van vitaal belang geworden. In het grensgebied met Afghanistan hebben de Talibaan zich met succes gereorganiseerd. De oorlog die zes jaar geleden was gewonnen, moet nu door de Amerikanen en de NAVO opnieuw worden gevoerd. Het animo bij de NAVO-leden voor Afghanistan daalt. En ook hier is, net als in Irak en Pakistan, de regering die de bondgenoot van het Westen vormt, zwak en corrupt.

En dan hebben we nog Iran, dat misschien werkt aan een atoombom. Osama heeft daar niets te vertellen. Dat is ook niet nodig. Het bewind in Teheran, beschermd door Rusland en China, is voor Amerika een zelfstandige aartsvijand waartegen het uitsluitend iets kan doen op straffe van vergroting van de chaos in het Midden-Oosten. Intussen blijft het Palestijnse probleem onopgelost, en hebben Hamas en Hezbollah zich als plaatselijke machten gehandhaafd. Het totaal van de fronten overziend zal Osama niet ontevreden zijn. En om eens een onpartijdige deskundige aan te roepen: wat zou Carl van Clausewitz ervan denken?

Misschien het grootste voordeel voor onze tegenstanders is de verwarring in het westelijk kamp. In de zes jaar van strijd tegen het internationaal terrorisme is het Amerikaanse leiderschap gedesintegreerd. Het duidelijkst zien we dat nu daar de verkiezingsstrijd op gang komt. Dat het Westen bezocht wordt door een zee van plagen is iedereen wel duidelijk. Maar tot dusver heeft zich geen kandidaat aangediend met charisma, een overtuigende analyse van de problemen en de aanzet tot een haalbare oplossing. De partijen hebben geen hechte elite, het overtuigend leiderschap ontbreekt. Dat is trouwens niet alleen in Amerika het geval. Ook West-Europa lijdt onder dit politieke vacuüm. Ons gekrakeel moet muziek zijn voor Osama.