De onveranderde krenterigheid van de Nederlandse omroepen

Heel vroeger, toen er nog nauwelijks televisie was, deed ik wel eens mee aan een beschaafd VARA-radioprogramma dat Artistieke Staalkaart heette. De naam zei het al. Men wilde de arbeider nog verheffen.

De opnamen werden op zaterdagochtend gemaakt in de oude Hilversumse AVRO-studio waar het van onder tot boven in elke geluidscel nog naar Willem Vogt rook. Op het moment dat we daar als medewerkers om een uur of half elf bij mekaar kwamen, was het altijd bijna pauze in de opnames van een populaire, en op geen stukken na artistieke show die dezelfde avond door de AVRO zou worden uitgezonden, en waarvoor de omroep zo veel mogelijk publiek uit de provincie liet aanvoeren. Op de ’s Gravelandseweg stonden in mijn herinnering talloze autobussen geparkeerd, die er uitzagen zoals je ze als kind tekende: met grote, vooruitstekende motorkappen en imperialen bovenop, voor eventuele koffers. Meer touringcars eigenlijk. Ze kwamen vaak ook helemaal uit Wierden, of zelfs Dwingeloo.

Voor die mensen waren bedrijvige obers binnen het gebouw dan net bezig op ellenlange, schraagachtige tafels de koffie klaar te zetten. Die moest natuurlijk warm blijven voor het geval er vertraging in het opnamewerk zou optreden. Daarom werden de schoteltjes op de volle kopjes gezet. En op het schoteltje legde men vervolgens de gevulde koek die elke week door de AVRO gratis ter beschikking was gesteld. Twee rijen van een paar honderd gevulde koeken op een schoteltje op een kopje op schraagachtige tafels: het had iets kunstzinnigs

Maar los daarvan. Een gevulde koek die door het schoteltje heen een beetje nattig of in ieder geval zweterig is geworden, terwijl de koffie daaronder onherroepelijk iets lauws moet hebben gekregen – daar moet ik tot op deze dag nog wel eens aan denken als ik Pia Dijkstra op verantwoorde toon de gevolgen van een erge ziekte hoor uitleggen.

Maar toentertijd heb ik nog nooit één luistervink horen klagen. Alleen al het vooruitzicht dat ze straks in die Pullman weer van Hilversum naar Drenthe of Overijssel mochten terugrijden, stemde het auditorium – nog daargelaten het genot dat ze aan het studiobezoek en de show hadden ontleend – diep tevreden.

Nu schijnen er castingbureaus te zijn die op verzoek van de omroep publiek leveren – tegen betaling. Men schat, las ik, dat meer dan een kwart van de programma’s met bezoek, of het nou spelletjes zijn, of Ivo Niehe, of De Rijdende Rechter, wordt bezocht door mensen die na afloop bij de kassier langs mogen om te innen.

Hoeveel?

Dat is natuurlijk het eerste wat je je afvraagt: kun je d’r van rondkomen? Maar daar moet je niet op rekenen. „Het studiobezoek”, onthulde Het Nederlands Dagblad, „levert 30 tot 60 euro per keer op”. Je zou dus elke avond de deur uit moeten, en de beter betalende productiebedrijven moeten opzoeken, wil je een minimumloon bij mekaar klappen.

Twee dingen vallen daarom op. Ten eerste dat de omroepen nog net zo krenterig zijn als in de dagen dat ze hun bezoekers met koffie en een gevulde koek afscheepten. Is wat dat toen samen kostte niet gauw het equivalent van 30 euro, en ligt het niet voor de hand dat de studiogast van z’n fooi ook nog zelf de omroepwijn moet betalen waarmee je bij Pauw & Witteman de obers op de achtergrond ziet rondlopen?

En ten tweede is de diepe tevredenheid van de gemiddelde Nederlander niet veranderd. Zolang hij maar in de buurt mag komen van een radiomicrofoon, en zeker een televisiecamera, en van de Sterren daarachter.

Maar zou ú er 30 euro voor over hebben om een keer in de studio naar Lingo te mogen kijken?

Dan zijn we het eens.

Lees alle eerdere columns van Jan Blokker op nrc.nl/blokker