De eer of het geld

Schrijver Jeroen Brouwers heeft, vermoedelijk per ongeluk, een serieuze kwestie aan het licht gebracht. Met zijn financieel gemotiveerde weigering om de Prijs der Nederlandse Letteren aan te nemen, is namelijk de vraag aan de orde of eer zich ook laat verzilveren.

Met deze, koninklijk uitgereikte, prijs bekroont de Taalunie eens in de drie jaar het oeuvre van een Nederlandstalige auteur met lof en 16.000 euro. Volgens Brouwers is dat bedrag een fooi, volgens de Taalunie is het vooral een symbolisch gebaar van waardering jegens de laureaat.

Die laatste redenering was tot nu toe dominant. Nog nooit eerder heeft een schrijver de Prijs der Nederlandse Letteren geweigerd. Daarmee was de prijs boven discussie verheven, al werden er wel eens wenkbrauwen gefronst toen de laureaten nog afwisselend uit Nederland en Vlaanderen moesten komen en de keuze soms geforceerd overkwam.

Met zijn weigering heeft Brouwers deze consensus over dé literaire prijs van de Lage Landen verstoord. Dat hij dat doet, is op zichzelf nog niet zo verwonderlijk. Brouwers heeft niet alleen literaire kwaliteiten, hij heeft ook een meer dan gemiddeld talent om maatschappelijke én persoonlijke spanningen op te sporen en over die tegenstellingen stevig te polemiseren. De toon waarop Brouwers heeft bedankt, illustreert dat. Maar dat neemt niet weg dat zijn bezwaar tegen het luttele bedrag, hoezeer ook ingegeven door materialistische motieven, niet helemaal onzinnig is.

De afgelopen decennia is het aantal literaire prijzen toegenomen. In Nederland introduceerden de kioskenketen AKO en de boekhandelsgroep Libris hun eigen prijzen ter waarde van 50.000 euro. In België namen de Standaardboekwinkels, het weekblad Humo en de publieke omroep het initiatief tot De Gouden Uil, een prijs van 25.000 euro. En aan de PC Hooftprijs – sinds de rel in 1984 rond de niet-toekenning aan essayist en columnist Hugo Brandt Corstius geen staatsprijs meer maar de verantwoordelijkheid van een stichting en een onafhankelijke jury – is inmiddels 60.000 euro verbonden.

Dat zijn bedragen waarbij de zestienduizend euro van de Taalunie inderdaad een schijntje lijken. Dat verschil laat zich overigens begrijpen. Het motief voor de eerste drie literaire prijzen is commercieel. In ruil voor eer en geld kunnen boekwinkels hun omzet verhogen. Dat belang heeft de Prijs der Nederlandse Letteren niet.

Maar nu de Taalunie toch stank voor dank krijgt, zou ze van de nood ook een deugd kunnen maken. Bijvoorbeeld door de vraag te stellen of er aan een staatsprijs eigenlijk wel een geldbedrag moet zijn verbonden en, zo ja, hoe hoog dat bedrag zou moeten zijn. Nul euro is verdedigbaar: een koninklijk lintje levert immers ook geen geld op. Het omgekeerde antwoord is eveneens denkbaar: juist een officiële prijs moet van overheidswege worden opgetuigd met een bedrag dat de commerciële prijzen in de schaduw stelt.

Hoe dan ook is het van tweeën een. Een staatsprijs is óf louter eerbetoon, zonder geld, óf een financiële beloning voor literaire verdiensten, maar dan een substantiële.