Bedrijven als ‘bad guys’

Filmmakers zijn dol op grote bedrijven als slechteriken, die over lijken voor gaan voor hogere winstmarges. Zeker in deze tijd van durfkapitalisten en graaiende managers.

Van boven naar beneden: ‘Michael Clayton’, ‘Enron: The Smartest Guys in the Room’ (2005) en ‘The Bad Sleep Well’ (1960) (foto).

Hebzucht is een even betrouwbare motor van films als liefde dat is. Corporate greed, de hebzucht van grote bedrijven, is niet minder meedogenloos dan die van mensen. Misschien zijn ze nog wel erger, zoals gezegd wordt in de documentaire The Corporation uit 2003. Daarin duidde een FBI-analist de ‘persoonlijkheid’ van bedrijven. Volgens hem hebben bedrijven een persoonlijkheidsstoornis, op het psychopatische af. Zij jagen meedogenloos hun wensen na, zonder te letten op de belangen van anderen. Ziedaar waarom corporate greed zo’n populair filmgenre is: psychopaten, daar krijgen filmmakers nooit genoeg van.

Corporate greed is een rijk filmgenre, waar zowel in de crisisjaren tussen de wereldoorlogen veel aandacht voor was (Capra’s Meet John Doe), als in de jaren zestig (Kurosawa’s The Bad Sleep Well), als, natuurlijk, in de achterdochtige jaren zeventig (Three Days of the Condor). Voorlopig hoogtepunt was Wall Street in de jaren tachtig, waar het ons (en de aandeelhouders) even goed werd uitgelegd door de beurshavik Gordon Gekko: „Greed is good, greed is right, greed works.”

In deze jaren van graaiende managers en hedgefunds is corporate greed een genre en vogue. In Michael Clayton die deze week uitgaat, is de hebzucht verpersoonlijkt in de figuur van Karen Crowder (met het kil-nerveuze uiterlijk van Tilda Swinton). Zij zit in de top van een genetisch landbouwbedrijf waar ergens gif uitstroomt, hetgeen beslist niet mag uitlekken. Zij is tot alles bereid om dat te voorkomen.

Dat is de voorspelbare kant van het corporate greed genre. Om de hebzucht een gezicht te geven en de agressie ervan een uitgesproken vorm, zien we in deze film meestal slechte mensen die niet terugdeinzen voor de telefonische opdracht aan huurmoordenaars of ander geboefte. Dat de echte dreiging veel groter, onvoorspelbaarder en dus fantastischer is dan die ene kogel of autobom, blijkt wel uit de verbluffende documentaire over corporate greed, Enron: The Smartest Guys in the Room van Alex Gibney (2005). Hierin wordt de bedrijfscultuur van de Amerikaanse energiegigant omschreven als een agressieve vorm van survival of the fittest.

Bij Enron hadden de directeuren geen schimmige fixers nodig voor duistere praktijken zoals Michael Clayton, bij Enron ruimde de directie zélf op. Elk jaar werd de ‘slechtste’ 15 procent van het personeel ontslagen op grond van rapportages van collega’s.

Bij Enron was ook niet alle energie gericht op die ene klokkenluider waar filmmakers altijd zo graag een held van maken. Ze waren daar druk bezig met het afpersen van de rijkste staat van de VS, Californië. Opgenomen telefoongesprekken onthullen dat de ‘kwajongens’ van Enron energiecentrales lieten platleggen om de stroomprijs voor Californië op te drijven van 40 dollar tot 1000 dollar per kilowattuur.

Dát is pas corporate greed.