Wolkers (2)

Ruim dertig cruciale jaren van zijn leven – van 1950 tot 1981 – bracht Jan Wolkers in Amsterdam door, de stad waar hij morgen gecremeerd zal worden. Al die tijd woonde hij op één adres: de Zomerdijkstraat 22 huis in de Rivierenbuurt, vlakbij de Rijnstraat. Hij kreeg er een van de atelierwoningen toegewezen, die daar voor kunstenaars waren gebouwd.

Het complex, gebouwd in de jaren dertig en geïnspireerd door de zakelijke stijl van Le Corbusier, is nog steeds een opvallend element in deze buurt. Het is hoger dan de omringende gebouwen en heeft veel meer glasoppervlakte. Wolkers had op de begane grond een van de ateliers aan de achterzijde, gelegen aan de Uiterwaardenstraat, waar aan de overkant tennisbanen zijn. Zijn voordeur kwam uit op de Zomerdijkstraat en is nog altijd herkenbaar aan de plaquette die er naast hangt en die gewijd is aan een van de vorige bewoners, de gefusilleerde verzetsman Gerrit van der Veen.

De flats hebben aan de voorkant een bescheiden gemeenschappelijk tuintje, aan de achterkant grenzen ze meteen aan de stoep. Voor een natuurliefhebber als Wolkers viel hier weinig te genieten. Hij trok dan ook regelmatig naar buiten – het Gein was een van zijn favoriete plekken en ook ging hij toen al vaak naar Texel.

Waarom waren zijn Amsterdamse jaren zo belangrijk? Het is af te lezen aan zijn bibliografie. Hier ontstond het belangrijkste deel van zijn oeuvre: van Serpentina’s Petticoat in 1961 tot De perzik van onsterfelijkheid in 1980, het jaar voordat hij naar Texel verhuisde.

Niet alleen als beeldhouwer, maar ook als schrijver had hij veel baat bij deze woning, zei hij in 1988 in de VPRO Gids. „Het waren prachtige, ruime ateliers en ik had er aan de achterkant een balkon in gemaakt van tweeënhalve meter breed. Daar zat ik op te schrijven en dan keek ik aan de ene kant uit op het atelier en aan de andere kant op de sportvelden aan de Uiterwaardenstraat.”

Hij vertelde dat je zijn woning terugvindt in scènes in Turks Fruit, Een roos van vlees en Horrible Tango.

Omdat het autobiografische gehalte van Turks Fruit hoog is, moet zich nogal wat aan de Zomerdijkstraat hebben afgespeeld, zegt de VPRO-verslaggever tegen Wolkers.

„Nou en of”, antwoordt hij, „het gebouw trilt er nog van op zijn grondvesten, hè (...) In 1957 ben ik getrouwd met die roodharige Friezin (Annemarie Nauta – F.A.) en het was in 1960 dat dat huwelijk vernietigd werd door die schoonmoeder, die zo’n enorme grip op dat meisje had. Dus dat boek beslaat een goede drie jaar die zich ook allemaal daar hebben afgespeeld.”

Hij geeft toe dat hij de Olga uit Turks Fruit, onder andere gemodelleerd naar ‘die roodharige Friezin’, in zijn boek liet sterven ‘uit pure wraak’. De hersentumor waaraan ze bezweek, had hij ‘geleend’ van een andere bewoonster, de dichteres Ida Sapora, die tijdelijk met een Franse schilder in zijn voorkamer woonde. Zij werd ziek en Wolkers zocht haar vaak op. „Ik had helemaal geen verhouding met haar, maar ik heb dat hele proces meegemaakt. Dat was afschuwelijk. Zo ben ik aan het eind van Turks Fruit gekomen.”

Jan Wolkers en de Zomerdijkstraat – daarover is (morgen) nog veel meer te vertellen.