Wie we stom vinden en wie juist leuk is

Pubers vinden een beetje anti-sociaal gedrag bij hun leeftijdgenoten wel cool. Maar dat alleen maakt niet populair. Socioloog Dijkstra onderzocht hoe pubers hun vrienden kiezen.

Jan K. Dijkstra (Foto Deborah Roffel) Fotografie Deborah Roffel Groningse Promovendus Jan Kornelis Dijkstra - gefotografeerd voor de Rijks Universiteit Groningen. foto voor interview WET op 23 oktober 2007 (Sheila Kamerman) Kamerman, Sheila

Je weet nog uit je eigen tienerjaren hoe ontzettend belangrijk vrienden in die periode zijn, zegt promovendus Jan Kornelis Dijkstra. „Wie vindt wie leuk. En wie vindt wie stom. Daar draait het op die leeftijd zo’n beetje om.” Dijkstra onderzocht hoe het komt dat vriendschappen tussen pubers lukken en andere vriendschappen mislukken. En waarom is de ene jongen mateloos populair en vindt iedereen de andere een sukkel? En hij keek naar de invloed die verschillende relaties met leeftijdgenoten hebben op het gedrag van pubers.

Het onderzoek van socioloog Jan Kornelis Dijkstra Status and affection among (pre)adolescents and their relation with antisocial and prosocial behavior is onderdeel van een door de Universiteit Groningen en de Erasmus Universiteit Rotterdam opgezet onderzoek naar de sociale en mentale ontwikkeling van jongeren. 2000 jongeren worden tussen hun elfde en vijfentwintigste jaar elke twee jaar uitgebreid onderzocht (biologische gegevens) en ondervraagd (sociale gegevens). Inmiddels zijn deze jongeren 16 en 17 jaar oud. Jan Kornelis Dijkstra gebruikte de metingen tot nu toe voor zijn onderzoek.

In groep acht van de basisschool hield Dijkstra een soort ‘idols contest’. De kinderen konden klasgenoten nomineren na de vraag: ‘Wie vind je leuk?’ En: ‘Wie vind je niet leuk?’ Anoniem, dat wel. „Ik kon daarna bij elk kind nagaan in welke mate hij of zij leuk werd gevonden door de klasgenoten”, zegt Dijkstra. Het belangrijkste aspect om leuk gevonden te worden, bleek het geslacht. Op die leeftijd vinden jongens jongens leuker en meisjes meisjes. Hulpvaardige kinderen werden ook al snel leuk gevonden. Dijkstra: „Dat zijn gewoon fijne kinderen.”

Dijkstra vroeg de kinderen ook of ze gepest worden en door wie. Het ligt voor de hand, dacht hij, dat kinderen die pesten niet aardig worden gevonden door anderen. Het bleek deels anders: „Seksegenoten die pesten, vinden zowel jongens als meisjes niet leuk. Maar jongens blijken meisjes die pesten íets leuker te vinden dan meisjes die niet pesten.”

Hoe kan dat nou?

„Ik denk omdat jongens op die leeftijd meisjes leuk vinden die zich jongensachtig gedragen. Pesten wordt jongensachtig gevonden. Meisjes bleken jongens die hulpvaardig zijn, iets leuker te vinden dan jongens die dat niet zijn. Ik denk omdat ze hen meisjesachtiger vinden.”

Bij wat oudere kinderen, zeg 14 jaar, gaat het niet alleen meer om pesten. Je ziet een enorme toename van antisociaal gedrag bij adolescenten, zegt Dijkstra. Wetenschappers schrijven dat onder meer toe aan de kloof tussen biologische en sociale volwassenheid van de pubers, de ‘maturity-gap’ . Jongeren van die leeftijd ervaren zichzelf als (bijna) volwassen, maar ze worden door de omgeving als kinderen behandeld. Een aantal heeft de neiging zich onaangepast te gedragen om daarmee hun volwassenheid te benadrukken. Bijvoorbeeld door alcohol of drugs te gebruiken. Of door delinquent gedrag.

Dijkstra vond dat op deze leeftijd anti-sociaal gedrag kán bijdragen aan de populariteit van een puber omdat het de maturity-gap helpt overbruggen. Maar het blijkt een bijzaak. Goed zijn in sport en er leuk uit zien, bleken belangrijker voorwaarden voor populariteit. Maar die kinderen kunnen zich veroorloven om zich negatief te gedragen zonder dat leeftijdgenoten op hen afknappen. Juist de combinatie van positieve en negatieve aspecten versterkt hun populariteit. Een kind dat zich alleen maar negatief gedraagt en zich op andere vlakken niet positief onderscheidt, wordt niet snel populair.

Worden die populaire kinderen nu ook leuker gevonden door leeftijdgenoten?

„Ja, door de ándere sekse. Een meisje vindt een populaire jongen leuk, maar hij wordt niet per se door andere jongens leuk gevonden.”

Waarom niet?

„Populariteit is status. Status is een onderlinge competitie. Jongens concurreren onderling om status, net als meisjes dat onderling doen. Populaire jongens hebben zodoende een nogal ambigue relatie met seksegenoten.

En wie selecteren de populaire kinderen als vriend?

„Populaire kinderen kiezen ander populaire kinderen als vriend, maar daarnaast kiezen ze ook vrienden die op alle fronten net iets minder scoren dan zijzelf. Dus net iets minder knap, iets minder goed in sport en wellicht ook iets minder negatief gedrag. Het lijkt een strategische zet. Andere populaire kinderen zijn jouw concurrenten. Door vrienden om je heen te verzamelen die net iets minder zijn dat jijzelf, accentueer je je eigen populariteit. Het klopt dus niet dat kinderen die op elkaar lijken, elkaar leuk vinden.”

Zijn populaire jongeren berekenend in hun vriendschappen?

„Ja, dat is een opmerkelijke uitkomst. Ze hebben bewust of onbewust een doel dat ze met de vriendschap willen bereiken.”

Kunnen we hier al iets van leren, of moeten we wachten tot het onderzoek is afgerond?

„Leraren en jongerenwerkers kunnen zich bewust zijn van de negatieve kanten van populariteit en de jongeren een spiegel voorhouden. Positieve aspecten van populariteit als fysieke aantrekkelijkheid en een atletisch lichaam kopieer je niet makkelijk, negatieve aspecten, rottig gedrag, wel. Jongeren proberen dat wellicht, maar het leidt uiteindelijk tot niets. Schoolprestaties spelen bij populariteit geen enkele rol, het is goed als jongeren zich daarvan bewust zijn. Is het ze waard? Bij affectieve relaties spelen schoolprestaties wel een rol. Kinderen die goed leren kunnen ook goed helpen. Leraren kunnen het ontstaan van die relaties faciliteren door kinderen te stimuleren elkaar te helpen.”