Uitgestelde dilemma’s

Openheid is geen optie in een politieke partij met 73 miljoen leden. Zeker als die partij is georganiseerd volgens het ‘democratisch centralistische’ beginsel waarin eenheid altijd boven verscheidenheid gaat. Het 17e congres van de Communistische Partij van China (CPC) werd dus pas belangrijk toen de vijfjaarlijkse bijeenkomst afgelopen weekeinde voorbij was, namelijk tijdens de eerste zitting van het nieuwe Centraal Comité, dat gisteren het dagelijks bestuur van het Politbureau en een Centraal Militaire Commissie koos.

In beide machtsorganen werd president Hu Jintao achter gesloten deuren herkozen als eerste man en werd een aantal vertrouwelingen van zijn voorganger geloosd. Hu heeft zo zijn positie versterkt. Op het congres is zijn theorie over ‘wetenschappelijke ontwikkeling’ richting ‘sociale harmonie’ bijgezet in de canonieke eregalerij van Mao en Deng.

Maar dat wil niet zeggen dat de partij harmonisch is. De CPC wordt geconfronteerd met sociale spanningen tussen stad en platteland en dus ook met politieke conflicten in eigen huis. De partij staat voor een immens dilemma: ze mag de nieuwe stedelijke elite en middenklasse niet frustreren in hun streven naar meer rijkdom, maar ze moet tegelijkertijd de verpauperende boeren tegemoetkomen, al is het om te voorkomen dat ze nog massaler de steden bestormen.

De CPC probeert het onverzoenbare te verzoenen door een dubbelslag. De lokale afdelingen krijgen iets meer ruimte. Tegelijkertijd heeft het 17e congres de partijstatuten zo gewijzigd dat de CPC nu ook formeel opkomt voor de particuliere sector.

Iedereen is tevreden gesteld. De samenstelling van de nieuwe dagelijkse partijleiding weerspiegelt dat. Als mogelijke tweede mannen stomen twee vijftigers op: partijchef Xi Jinping van de afdeling-Shanghai en diens ambtgenoot Li Keqiang uit de laagontwikkelde industrieprovincie Liaoning. De laatste zou, door zijn langjarige samenwerking met Hu, de favoriet zijn van de partijtop. Beiden hebben gemeen dat ze jongvolwassenen waren tijdens de culturele revolutie, die China in de jaren zestig op zijn kop zette, en weinig politieke last hebben van de maoïstische erfzonde.

Maar daarbij blijft het. Ook partijfunctionarissen moeten oog hebben voor de specifieke wensen van hun achterban. Xi (54) kan niet om de aspiraties van de stedelijke middenklasse heen. Li (52) daarentegen representeert eerder de ooit machtige arbeidersklasse. Xi zou dan ook wel eens geconfronteerd kunnen worden met een burgerlijke fractie binnen de partij die haast wil maken, terwijl Li juist zijn achterban moet bedienen door de puissante voorspoed in de grote steden af te romen ten gunste van de armere regio.

Door beiden in een soort nevengeschikte positie te brengen, heeft de CPC een keuze uitgesteld. Vooralsnog wijkt ze niet van haar nationalistische lijn dat eerst het eten komt en dan pas de moraal. Maar er komt een moment dat zelfs de communistische partij niet meer ontkomt aan ideologische keuzes, al kan dat nog heel lang duren.