Turks EU-lidmaatschap opnieuw naderbij

Het Hervormingsverdrag maakt toetreding van Turkije tot de Europese Unie gemakkelijker, meent Alfred Pijpers. Angst voor islamisering is onzin. Turkije mag eerder kerstening vrezen.

Er zit aardig de klad in de relatie tussen de Europese Unie en Turkije. De toetredingsonderhandelingen die twee jaar geleden begonnen, verlopen uiterst moeizaam. Belangrijke dossiers in de besprekingen zijn bevroren.

De Franse president Sarkozy heeft duidelijk te kennen gegeven weinig te voelen voor een Turks EU-lidmaatschap, ook niet in de toekomst. De Duitse regering durft officieel zover nog niet te gaan, maar de CDU van bondskanselier Merkel wil Turkije hooguit via een ‘geprivilegeerd partnerschap’ aan de EU binden. Ook de Nederlandse houding jegens Turkije is kritischer geworden. De Europese publieke opinie is ondertussen in grote meerderheid gekant tegen een Turks lidmaatschap. In Duitsland, Frankrijk, en Oostenrijk ligt dit percentage volgens recente peilingen op 75 tot 80 procent.

Veel Europeanen associëren Turkije met de uitwassen van de radicale islam, met de onderdrukking van christelijke en Koerdische minderheden, met ongebreidelde immigratie, en met achterstanden en segregatie in onze binnensteden. Ook de hardnekkige Turkse ontkenning van de Armeense genocide heeft veel kwaad bloed gezet.

Bovendien heeft de Europese constitutionele crisis, waarin de EU belandde na het Franse en Nederlandse nee tegen de Europese Grondwet in 2005, op een subtiele manier roet in het eten gegooid van de Europees-Turkse verhoudingen. In Frankrijk, Duitsland, en Nederland werd geprobeerd de schuld voor het grondwettelijk echec in de schoenen van Turkije te schuiven. Het nee gold niet zozeer de Europese grondwet, zo werd geredeneerd, maar de grootschalige uitbreidingen van de Europese Unie, vooral de toetreding van Turkije. Gehoopt wordt dat het brede publiek makkelijker de aanstaande Europese verdragswijzigingen zal accepteren (zonder referendum), wanneer Turkije de duimschroeven worden aangedraaid.

Dat ziet er dus niet best uit voor de Turkse lidmaatschapskansen. Toch maakt het vorige week in Lissabon beklonken Hervormingsverdrag, dat in de plaats treedt van de afgewezen Europese Grondwet, toetreding in bepaalde opzichten gemakkelijker. Weliswaar blijven de toetredingscriteria streng, maar de EU is door het schrappen van haar grondwettelijke pretenties toegankelijker geworden. De Europese Grondwet was namelijk niet alleen een openlijke poging tot Europese federale staatsvorming („een niet-militaire staatsgreep”, zoals een europarlementariër het treffend uitdrukte), maar pretendeerde tegelijkertijd ook de staatkundige fundering te leggen voor de Europese (christelijke) waarden en cultuur. Het document werd expliciet gelanceerd als een ‘Grondwet voor Europa’, dus niet alleen voor de EU. Door nu deze grondwettelijke ambities te laten vallen, heeft de EU impliciet ook haar aanspraken afgezwakt om een soort plaatsbekleder te zijn van de Europese beschaving. Hierdoor komt de lat voor Turkije lager te liggen.

Volgens de regering-Balkenende is het Hervormingsverdrag „gezuiverd van aanknopingspunten voor een ontwikkeling van de EU in een meer uitgesproken statelijke of federale richting”. Zo wordt het idee van één geschreven Grondwet losgelaten, het Handvest voor de Grondrechten maakt niet langer deel uit van de tekst, en er worden allerlei symbolen van de Europese eenwording weggelaten, zoals vlag en volkslied. Nu Nederland zelf afstand heeft genomen van het Europese federale ideaal, gaat het vaak geopperde bezwaar dat de Turkse toetreding dat ideaal ongedaan zou maken, dus niet meer op.

De Europese Unie blijft in de visie van de regering primair een statengemeenschap, weliswaar met supranationale elementen, maar met een centrale rol voor de lidstaten. In het nieuwe verdrag worden de EU-bevoegdheden scherper afgebakend van het nationale domein, blijven gevoelige publieke diensten gevrijwaard van de interne markt, en krijgen nationale parlementen meer greep op ongewenste Europese regelgeving. In zo’n statengemeenschap is de nationale identiteit beter gewaarborgd dan in een stelsel met steeds meer macht voor ‘Brussel’. Door middel van het Hervormingsverdrag worden in de EU-tanker allerlei tussenschotten geplaatst die het geheel meer stevigheid geven, en tegelijkertijd de afzonderlijke nationale compartimentjes beter beschermen. Een Turkse toetreding levert dus geen gevaar op. Er komt slechts een compartiment bij.

Daarbij moet ook bedacht worden dat het niet goed denkbaar is hoe Turkije zijn lidmaatschap zou kunnen gebruiken om er oneigenlijke besluiten door te drukken. Tegen de tijd dat Turkije toetreedt, zal de EU waarschijnlijk 32 leden tellen. De huidige 27, plus een aantal westelijke Balkanlanden. Voor een meerderheidsbesluit moet Turkije volgens de nieuwe regels minstens zestien andere lidstaten achter zich zien te krijgen. Samen moeten deze ook nog eens 65 procent van de totale EU-bevolking vertegenwoordigen.

Het is dus praktisch uitgesloten dat Turkije, eenmaal lid van de Unie, er toe zou kunnen overgaan om langs slinkse weg ‘islamitische’ regelgeving op te dringen aan het ‘christelijke’ Europa. Binnen de EU is de potentiële invloed van de ‘christelijke’ meerderheid op Turkije veel groter dan omgekeerd.

De nu al decennia voortslepende Turkse toetredingsproblematiek is in hoge mate een functie van Europese politieke en culturele eigenwaan. Die is hopelijk wat weggeëbd na het constitutionele echec, zodat het Turkse EU-lidmaatschap in een wat reëler perspectief kan worden geplaatst.

Alfred Pijpers is verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag.