Trots op Azerbajdzjan

Moeten de media zich ten doel stellen, zoals Mohammed Benzakour bepleitte, „de harten van de salafisten te winnen” (Opiniepagina, 12 oktober)? Moet ik schrijven wat de salafisten graag lezen? Moeten blote plaatjes en andere onzedigheden van de televisie verdwijnen, omdat de salafisten erdoor in verlegenheid gebracht worden? Benzakour prees het mediabeleid van minister Plasterk die minder seks op de televisie wil. Hij schreef: „Ik steek de loftrompet over deze minister. Zijn nota zou wel eens kunnen uitpakken als de meest effectieve beleidsmaatregel om de harten van moslims terug te winnen, om ze weer een thuisgevoel te geven.”

Ik heb nieuws voor Benzakour. Het interesseert me niet of de salafisten aanstoot nemen aan blote plaatjes. Ik zie geen voorbeeldfunctie van de Saoedi-Arabische televisie voor de Nederlandse omroep. De media moeten openbaar maken wat zij, in onafhankelijkheid van wie dan ook, de moeite waard vinden. Dan ben ik volgens Benzakour in de ‘vrijgevochten’ jaren zestig blijven steken. Nou en? De salafisten bevinden zich nog in de Middeleeuwen.

Achter de vermaning van Benzakour gaat de opvatting schuil, dat het de verantwoordelijkheid is van de media geen aanstoot te geven aan delen van het publiek. Dat is principieel verwerpelijk: het maakt sectoren van het publiek (dat kunnen salafisten, gereformeerden, atheïsten of feministen zijn) tot de scheidsrechter van de wenselijkheid of toelaatbaarheid van wat in de media wordt gepubliceerd. Het publiek als censor: dat is het ultieme populisme en de doodsteek voor de vrijheid van meningsuiting.

Als vrijheid van expressie botst op de eis van respect voor de religieuze beleving van een bevolkingsgroep, hoort de enige vraag te zijn of die expressie moet worden aangemerkt als het aanzetten tot haat en geweld. Maar zelfs als een deel van het publiek met geweld reageert, betekent dat nog allerminst dat de media daartoe hebben aangezet. Vaker is er dan sprake van ophitsing – denk aan de Deense cartoonrellen, Submission en Theo van Gogh.

Zeker, er bestaat een spanning tussen aanstootgevende publicaties en religieuze of nationale kwetsuren. Wie zich daarover het hoofd breekt, kan terecht bij het bekende Handysyde-arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens uit 1976. De vrijheid van meningsuiting geldt volgens dat arrest niet alleen voor uitingen waar men onverschillig tegenover kan staan, maar ook voor uitingen die aanstoot geven aan de staat of enigerlei bevolkingsgroep. Zonder deze eisen van pluralisme, tolerantie en onbekrompenheid is er geen democratische samenleving mogelijk, aldus het Hof.

Een nationalistische overheid heeft de neiging om kritische journalisten en schrijvers te veroordelen wegens ‘belediging van de nationale identiteit’. Turkije levert hiervan treurige voorbeelden. Een religieuze overheid gooit journalisten in de gevangenis wegens belediging van de godsdienst. Het kan ook allebei tegelijk. Een schrijnend voorbeeld van journalisten die zowel de nationale als de religieuze identiteit zouden hebben beledigd, is de veroordeling van Samir Sadagatoglu en Rafik Tagi in Azerbajdzjan. Tagi betoogde in het weekblad Senet, waarvan Sadagatoglu hoofdredacteur is, dat de Azerbajdzjaanse identiteit ‘in ethische en filosofische zin’ nauw verwant is aan die van Europa. Welnu, zij zijn in juli in hoger beroep veroordeeld tot drie en vier jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu is het bijzondere aan deze zaak dat de aanleiding tot de vervolging was gelegen in ‘spontane’ publieke protesten tegen de vermeende belediging van de Azerbajdzjaanse identiteit. In het tijdschriftartikel was een vergelijking getrokken tussen de islam en het christendom die uitviel ten gunste van het christendom. Tagi kwam tot de conclusie dat de islam de vooruitgang van zijn land belemmert. Boze moslims gingen de straat op, de journalist, zijn hoofdredacteur en hun familie werden met de dood bedreigd, een grootayatollah uit het buurland Iran riep in een fatwa op om het tweetal te doden. Daarop wierpen de autoriteiten hen in het gevang wegens het ‘aanzetten tot nationale, raciale of religieuze haat’.

Woede op media of journalisten toont volgens deze logica eigenlijk al aan dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het zaaien van haat. Het publiek is beledigd, dat zegt genoeg en het eindigt in een cel.

Amnesty International voert actie voor de vrijlating van de twee gewetensgevangen. Overeenkomstig zijn traditie van strikte onpartijdigheid spreekt Amnesty zich niet uit over de vraag of Sadagatoglu en Tagi gelijk hebben met hun visie op de identiteit van het land, maar bestrijdt dat hun opinie valt onder het verbod op het zaaien van haat. Wel roept Amnesty International de Azerbajdzjaanse media op tot verantwoordelijkheid „wanneer zij schrijven over gevoelige kwesties als religie, cultuur en identiteit.”

De boodschap maakt hierdoor een enigszins dubbelzinnige indruk. Aan de ene kant veroordeelt Amnesty in de krachtigste bewoordingen de vervolging van journalisten, aan de andere kant vraagt zij die journalisten vooral op hun woorden te letten. De journalistieke verantwoordelijkheid, waar Amnesty aan refereert, werd in het dagblad Trouw zelfs uitgelegd als een oproep aan journalisten „rekening te houden met de gevoelens, die bij hun lezerspubliek kunnen leven”.

Dat komt bij Benzakour in de buurt.

Waar slaat die waarschuwing tegen onverantwoordelijke berichtgeving over gevoelige kwesties als religie, cultuur en identiteit op? Ik kan niet geloven dat Amnesty in al zijn onpartijdigheid censuur van de straat billijkt, censuur uitgeoefend door de opgehitste massa, censuur van de in hun nationale trots gekwetsten of in hun religieuze overtuiging gekrenkten. Zo is het gelukkig ook niet. De grens voor Amnesty ligt bij ‘het oproepen tot nationalistische, raciale of religieuze haat die aanzet tot discriminatie, vijandigheid of geweld’. Het zou een ramp voor de persvrijheid zijn, als van onafhankelijke media verlangd wordt te anticiperen op bepaalde ‘gevoeligheden’.

Ik durf zomaar de stelling aan dat dé Azerbajdzjaan niet bestaat. Maar in Azerbajdzjan kom je daarvoor in de gevangenis. In Nederland mag je zeggen dat dé Nederlander niet bestaat. Soms denkt ik somber: hoe lang nog, als de „harten” van het publiek beslissend zijn? Dan mag je kiezen tussen de salafistische moraal of de trots op de Nederlandse identiteit.