Taalgen ook gevonden bij Neanderthaler

Het enige gen dat ooit in verband is gebracht met het uniek menselijke taalvermogen, het gen FOXP2, komt in die vorm óók bij Neanderthalers voor. Dit blijkt uit onderzoek aan DNA uit twee Neanderthalbotten die vorig jaar in Spanje zijn gevonden.

De botten werden na de vondst meteen steriel ingevroren. Het onderzoek wordt gepubliceerd in de Current Biology van 1 november maar werd al eerder vrijgegeven. De vondst betekent niet dat Neanderthalers een volledig modern taalvermogen hadden – een omstreden kwestie in de menselijke evolutie. Eerder werd aan Neanderthalers taalvermogen ontzegd omdat er nooit een Neanderthal-tongbotje was gevonden. Dat is een botje bij het strottehoofd dat cruciaal is voor de aanhechting van tong- en andere spraakspieren. De vondst van zo’n tongbotje bij een zeer volledig Neanderthalskelet uit de Israelische Kabaragrot, in 1983, leidde ook nooit tot een brede overtuiging dat Neanderthalers wèl konden spreken. Daarvoor is veel meer bewijs nodig.

Neanderthalers zijn een aan de mensen parallelle evolutionaire tak, met een gemeenschappelijke voorouder ergens rond 500 à 300.000 jaar geleden. Neanderthalers kwamen alleen voor in Europa en West-Azië, en leken sterk op moderne mensen. Maar hoewel ze gemiddeld iets grotere hersenen hadden dan de moderne mens, zijn er nooit veel aanwijzingen gevonden voor symbolisch denken. Op een paar omstreden uitzonderingen na zijn er géén kunstvoorwerpen en géén geavanceerde werktuigen van neanderthalers bekend. Ze stierven rond 30.000 jaar geleden uit.

Op de korte termijn wordt door de nieuwe vondst vooral het belang van dit ‘unieke taalgen’ voor de moderne mens gerelativeerd.

Het FOXP2-gen kwam in 2001 in het centrum van de belangstelling toen artsen ontdekten dat dysfuctioneren van dit gen leidde tot ernstige problemen met de fijne mondmotoriek. Ook hebben mensen met een kapot FOXP2-gen moeite met het onderscheiden van lettergrepen, met de vervoeging van werkwoorden en de vorming van grammaticale zinnen. Voor buitenstaanders zijn de lijders aan dit syndroom vrijwel onverstaanbaar. In 2002 werd ontdekt dat dit gen bij andere primaten en zoogdieren ook voorkomt en vrijwel overal hetzelfde is, maar dat het nu juist bij de mens op twee punten afwijkt. Omdat berekend kon worden dat deze mutaties ongeveer 200.000 jaar oud waren – precies rond het ontstaan van Homo sapiens – kreeg FOXP2 grote wetenschappelijke faam als mogelijk de cruciale mutatie die de moderne mens maakt tot wat hij is: een talig wezen.

De nieuwe vondst van precies die modern menselijke FOXP2-variant in het Neanderthal-genoom (op zich al een wetenschappelijke prestatie van de eerste orde) veegt die mogelijkheid waarschijnlijk vrij effectief van tafel. De auteurs (onder wie de beroemde Finse geneticus Svante Pääbo die ook bij het eerdere onderzoek aan FOXP2 betrokken was) sluiten uit dat het gen door seksueel verkeer tussen moderne mensen en Neanderthalers bij de Neanderthalers terecht is gekomen. Zij zijn ervan overtuigd dat het gen afkomstig is van de gemeenschappelijke voorouder – en dus veel ouder is dan de eerder geschatte ouderdom van 200.000 jaar.