Joy Division

Het kon vijf uur zijn, maar het kon ook acht uur in de avond worden. De aanstaande visite bleef vaag in de aankondiging. Daarom besloot ik tegen half vier mezelf in wielerkleding te hijsen om er op de terreinfiets op uit te trekken.

Het was kouder dan ik had ingeschat. Meteen maar een dwingend tempo ontwikkelen om de motor op temperatuur te brengen. Het netwerk van landwegen en bospaden was verlaten, hoewel zondag toch de geijkte fiets- en wandeldag is. Mooi zo, ik was lekker alleen in mijn hijgen en gemijmer. Geen onaangelijnde honden ook die aan de kuiten bleven hangen.

Bij Griendtsveen draaide ik het pad op langs het Defensiekanaal. Het was moeilijk begaanbaar door recente uitbaggeringswerkzaamheden. Om de paar honderd meter een betonnen kazemat. In 1940 dacht men met dit kanaal, eigenlijk niet meer dan een brede sloot en deel uitmakend van de Peel- Raamstelling, de Duitse opmars een halt toe te roepen dan wel ernstig te vertragen. Dat het laatste lukte mag een klein wonder heten. Uit de bagger op de oever stak een plastic poppenhuis. Dat moest, gedragen door de stroming, een aardig reisje door het kanaal hebben gemaakt. Maar hoe komt zo’n ding in het water terecht, dat was de vraag. Een heel fijn regentje, eerder een nevel, raakte mijn hete gezicht.

Walk in silence / Don’t walk away, in silence / See the danger / Always danger / Endless talking / Life rebuilding / Don’t walk away. Dat was Ian Curtis die ergens in mijn ingewanden begon te zingen met zijn duistere stem. Toevallig was het niet. Vrijdagavond had ik Control gezien, de zwart-wit film die Anton Corbijn maakte over de leadzanger en tekstdichter van de post-punkformatie Joy Division uit Manchester die in mei 1980 de gekwelde hand aan zichzelf sloeg. De regels kwamen uit het nummer Atmosphere dat gemonteerd was onder de laatste ‘scène’ waarin Curtis als zwarte rook uit een schoorsteenpijp kringelde. Corbijn had van Curtis’ korte leven verrassend genoeg een bijna verstild drama gemaakt.

In de spaarzame, geënsceneerde optredens (de acteurs bespelen daadwerkelijk de instrumenten, en Sam Rily zingt daadwerkelijk Ian Curtis) herkende ik de claustrofobische zaaltjes vol wilde jeugd in de al even claustrofobische stad Manchester waar de amateurwielrenner in winterrust – eind 1979 moet het geweest zijn – bij de hand genomen door een Noord-Engelse dame met zwartgemaakte ogen de gek geworden wanhoop gadesloeg. Fans van verschillende bands gingen elkaar als voetbalsupporters te lijf.

Op mijn overigens splinternieuwe All Terrain Bike mét schijfremmen bereikte ik de uitgestrekte bossen rond De Ballonzuil. Een hongerklop diende zich aan. Hierop besloot ik onverhoeds de tocht met een forse lus te verlengen.

De vreemde, uitgeklede muziek van Joy Division. Claustrofobisch en toch monumentaal. Als jonge professional speelde ik op hotelkamers kopieën van elpees op de pas uitgevonden walkman. In de uitgebrande landschappen herkende ik mijn levensdrift. De muziek maakte me vrolijk. Ik word er nog altijd vrolijk van.

Om domweg gelukkig te zijn in de Peel is niet meer nodig dan een fijne fiets, Ian Curtis, motregen, en hypoglycomie.