Helpt soepel ontslag de werklozen?

Angelsaksische landen zouden minder werklozen hebben dan landen met veel ontslagbescherming. Was het maar zo simpel, schrijft Alfred Kleinknecht.

Het lijkt zo eenvoudig. Als bedrijven weten dat ze mensen gemakkelijk kunnen ontslaan, dan is de beslissing om hen in dienst te nemen ook wat makkelijker. Bovendien besparen bedrijven loonkosten indien ze bij tegenvallende conjunctuur mensen makkelijker kunnen lozen. Bij werknemers is het net als bij aardappelen: als ze goedkoper worden, dan worden er meer van gekocht. Vandaar dat minister Donner denkt dat versoepeling van het ontslagrecht een steuntje in de rug is van werkzoekenden. Maar is dat ook zo?

Servaas Storm en Ro Naastepad hebben een maand geleden in het economenblad Economisch Statistische Berichten de verhouding tussen ontslagrecht en werkloosheid onderzocht. Als men de rijke industrielanden onderling vergelijkt, is het dan zo dat landen met een soepeler ontslagrecht minder werkloosheid kennen? De uitkomsten van Storm en Naastepad zijn verrassend. In 8 van de 10 beschikbare studies is het antwoord ‘neen’!

Dit was even slikken. In mijn eigen onderzoek vond ik immers dat typisch Angelsaksische landen met sterk ‘geliberaliseerde’ arbeidsmarkten (met soepel ontslag) een vrij arbeidsintensieve economische groei kennen. Dat geldt althans voor de inzet aan arbeidsuren. Per 1 procent economische groei hebben deze ‘flexibele’ economieën een hogere groei van de arbeidsuren dan in de ‘starre’ Europese arbeidsmarkten het geval is. Intuïtief zou je verwachten dat hun relatief arbeidsintensieve groei doorwerkt in lagere werkloosheidscijfers. Dat blijkt dus niet het geval te zijn.

Hoe is dit te verklaren? Een mogelijke verklaring is dat Angelsaksische landen dikwijls meer immigratie hebben. Daarin spiegelt zich een merkwaardige tegenstelling met het oude Europa. Bij ons is de politieke linkervleugel meestal voor een ruimhartig immigratiebeleid en rechts is daar tegen.

In de Verenigde Staten is het andersom. In de VS vreest links dat de komst van immigranten de concurrentie om schaarse banen verscherpt. Dat is slecht voor de onderlinge solidariteit van werknemers en slecht voor de machtspositie van vakbonden. Rechts in de VS is pro-immigratie – vermoedelijk juist om de vakbeweging een hak te zetten. Verdonk en Wilders moeten eens op bijles gaan bij de Republikeinen in de VS.

Ook verschillen in werktijd kunnen verklaren dat de meer arbeidsintensieve groei in de Angelsaksische landen niet neerslaat in lagere werkloosheidscijfers. Amerikanen hebben veel minder vakantiedagen en langere werkweken dan Europeanen. De arbeidsuren worden in de VS dus over minder mensen verdeeld. Dat ligt deels aan de machtsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Voor werkgevers is het veelal aantrekkelijker om hun bestaande mensen langer te laten werken dan nieuwe mensen in dienst te nemen. Dat scheelt inwerkkosten, scholing, overhead, parkeerplaatsen etc.

De Angelsaksische landen hebben ook een onderklasse van werkende armen (‘the working poor’). Deze mensen verdienen zo weinig dat ze soms nog een bijbaantje in de avonduren nemen om de schulden te kunnen bijbenen. Dit soort argumenten kan verklaren dat de relatief arbeidsintensieve groei in deze landen niet of nauwelijks neerslaat in lagere werkloosheidscijfers.

Liberale economen zouden verwachten dat landen met flexibele arbeidsmarkten met soepel ontslag minder werklozen hebben. Het valt echter niet mee om dit verband statistisch aan te tonen. Dat komt ook doordat enkele landen met typisch ‘starre’ arbeidsmarkten en sterke ontslagbescherming vrij lage percentages werklozen hebben. Zo is de werkloosheid in de ‘starre’ economieën van Oostenrijk, Japan, Nederland of Noorwegen lager dan in de VS!

Daar komt bij dat in de VS een hoog percentage van de onderklasse in de gevangenis zit. Het verschil in percentages gevangenen ten opzichte van Europa komt ruwweg overeen met de percentages langdurig werklozen in Europa.

De werkloosheid is wel vrij hoog in België (8,5 procent), Duitsland (8,4), Portugal (5,8) of Zweden (7,3). Dat past dan wel weer bij de liberale visie dat landen met ‘starre’ arbeidsmarkten een hoge werkloosheid kennen.

Maar er zijn ook weer landen met flexibele arbeidsmarkten en soepel ontslag die hoge percentages werklozen hebben. Zo heeft Australië 7,3 procent en Canada liefst 8,4 procent werklozen. Dit maakt het lastig om een duidelijk statistisch verband te vinden tussen werkloosheid en soepelheid van ontslag, een verband dat volgens de liberale visie wel zou moeten bestaan.

Storm en Naastepad vinden in hun speurwerk ook weinig ondersteuning voor het vermoeden dat soepeler ontslag de ‘outsiders’ op de arbeidsmarkt (jongeren, vrouwen etc.) zou helpen. In enkele Europese landen met sterk gereguleerde arbeidsmarkten liggen de percentages jongeren met werk inderdaad 4 procent lager dan in de Angelsaksische landen. Dat past bij de visie dat ‘liberalisering’ en deregulering van arbeidsmarkten deze probleemgroepen zouden kunnen helpen.

Anderzijds is de werkloosheid bij jongeren tussen 15 en 24 jaar in een aantal flexibele Angelsaksische landen vrij hoog: 12,9 procent in de VS, 12,2 procent in Australië, 14,9 procent in Canada of 11,8 procent in Engeland – tegenover 7,9 procent op de starre Nederlandse arbeidsmarkt! Dit soort cijfers zegt uiteraard niet alles, maar het geeft toch een indicatie dat we voorzichtig moeten zijn met snelle conclusies.

In de neoklassieke school van het economisch denken houdt men van flexibele markten. Ook flexibele arbeidsmarkten met weinig bescherming van de factor arbeid zijn in deze visie gewoon ‘goed’. Goed voor werklozen; goed voor de minder kansrijken. Maar dit blijkt dus niet te sporen met de waargenomen feiten.

Daarom mijn vraag aan economen die verknocht zijn aan de neoklassieke hoofdstroming in de economie: zou een wat bescheidener opstelling niet gepast zijn?

Alfred Kleinknecht, hoogleraar economie in Delft, sympathiseert met de evolutionaire denkrichting in de economie.