Zet ‘cabaret’ boven een show en het verkoopt

Cabaret is tegenwoordig een populaire podiumkunst.

Maar het valt nog niet mee om te leren, blijkt op de cursus cabaret voor beginners.

„Eén”, schreeuwt Winand loeihard. „Twee”, schalt Robert-Jan erboven uit. „Drie, vier, vijf, zes.” Winand spuwt de getallen bijna in het gezicht van zijn tegenspeler. De cursisten cabaret voor beginners doen een improvisatieoefening. Twee aan twee vechten ze een knallende ruzie uit, zonder daarbij woorden te gebruiken. Alleen getallen en lichaamstaal zijn bij deze opdracht toegestaan. Docente Anemoon Langenhoff (39) knikt goedkeurend. „Geef de getallen lading jongens, emotie. Probeer die ander ermee te raken.” De deelnemers nemen het ervan en schreeuwen de longen uit hun lijf.

Langenhoff begint de twee uur durende les altijd met opwarmoefeningen en improvisatieopdrachten, vertelt ze. „De deelnemers moeten vertrouwd raken met elkaar en leren met wie ze wel of geen chemie hebben.” Na de cursus van 25 lessen staat er namelijk een show op het programma met een mix van optredens, zowel solo als in duo’s of trio’s.

Langenhoff geeft sinds 1993 les op het Centrum voor de Kunsten in Eindhoven. Daarvoor volgde ze een drama-opleiding in Eindhoven en speelde ze bij cabaretgroep De Bloeiende Maagden. In 1995 won ze daarmee de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival. Uiteindelijk stapte Langenhoff uit de groep en vanaf die tijd is ze zich gaan toeleggen op het regisseren, coachen en lesgeven.

Cabaret is tegenwoordig weer ongelooflijk populair, vertelt Langenhoff. Na de grote drie van het naoorlogse Nederlandse cabaret - Wim Sonneveld, Wim Kan en Toon Hermans - en hun geëngageerde shows kwam er even een klein dipje. Theo Maassen en Hans Teeuwen, die bij Langenhoff op de drama-opleiding zaten, maakten daar een einde aan en zorgden voor een flinke boost. „Tegenwoordig hoef je boven je voorstelling alleen maar cabaret te zetten, en het verkoopt.” Jammer, vindt Langenhoff dat. „Onder de bovenste laag van goede cabaretiers zit een heleboel middelmatigheid en daaronder zit nog een hoop bagger. Helaas is een theaterprogrammeur vaak te weinig kritisch, net als het publiek.”

Het is wel logisch dat veel Nederlanders zo enthousiast zijn over cabaret, zegt Langenhoff. Er bestaan zoveel verschillende vormen en het is zo toegankelijk. Er zijn cabaretiers die messcherpe (lied)teksten schrijven, of die heel goed zijn in het spelen van typetjes, van personages. Je hebt cabaret met of zonder zang, met heel melige, of juist heel grove en absurdistische humor à la Hans Teeuwen. „Als cabaretier ben je maker en uitvoerder ineen”, zegt Langenhoff. „Ook mijn cursisten kiezen zelf wat ze willen doen, en gaan daarbij uit van hun eigen kracht. Het gaat erom dat ze een verhaal te vertellen hebben en dat ze zichzelf helemaal geven.”

Natuurlijk zijn er ook wel eens cursisten die het niet echt in zich hebben, of veel hulp van anderen nodig hebben. „In de cursus kunnen ze zich prima staande houden, maar meestal gaan ze wel op hun bek bij een optreden op een cabaretfestival. Dan blijkt dat ze het qua niveau toch niet halen, of dat ze zich onvoldoende hebben voorbereid. Je bent als cabaretier afhankelijk van de wisselwerking met het publiek, dus je móet je show van tevoren uitproberen.”

Dat beaamt ook Wimie Wilhelm (46), regisseuse van het Groninger Studenten Cabaret Festival. De zes finalisten hebben hun voorstelling in vijf verschillende steden als try-out moeten spelen, voordat zij komende woensdag en donderdag in de halve finales staan. Wilhelm leert de aankomende cabaretiers dat hun optreden uit meer moet bestaan dan grappige teksten. „Die try-outs zijn heel goed voor de deelnemers. Soms gaat het met oefenen nog zo goed, maar zakken ze op het podium door het ijs. Dan klappen ze dicht of gaan juist veel te snel praten. Bovendien reageert het publiek overal anders. Waar de ene zaal dubbel ligt van het lachen, blijft het bij dezelfde opmerking in een andere zaal akelig stil. Het is frustrerend als de wisselwerking niet blijkt te werken.”