Wolkers (1)

In de lawine van archiefbeelden die na de dood van Jan Wolkers op ons afkwam, zat een intrigerend fragment uit 1982. We zagen Wolkers in zijn huis op Texel uitleggen waarom hij de Constantijn Huygensprijs (voor zijn hele oeuvre) had geweigerd. Hij was woedend. „Ik heb twintig jaar lang meesterwerken geschreven”, zei hij, „en voor niet één van die boeken heb ik een prijs gekregen.”

Waarom nu dan wél? De mensen zouden zich kunnen afvragen of hij soms een jurylid had omgekocht. Hij liep naar de boekenkast en haalde demonstratief één voor één die meesterwerken tevoorschijn.

Later op de avond zag ik dat fragment weer terug, maar nu in een andere context. Wolkers was een stuk ouder en lankmoediger geworden en bekeek met een glimlach allerlei oude filmpjes, waaronder dat met de woede-uitbarsting. „Dit is een soort kamertoneel”, zei hij, „ik doe het voor de jongens.” Hij was helemaal niet kwaad geweest, hij zou het met zijn zoons zo hebben afgesproken.

Hier klopt iets niet, dacht ik meteen. Misschien was de uitbarsting voor de tv-opname geacteerd, maar daarmee kon de onderliggende woede nog wel authentiek zijn. Wolkers deed nu net of hij nooit boos geweest was op de literaire kritiek, maar had hij er in de jaren zeventig en tachtig niet juist een soort vendetta tegen gevoerd?

Ik ging op onderzoek uit en stuitte al snel op het artikel De wraak van Jan Wolkers, geschreven door Jan Brokken en in 1978 opgenomen in de bundel Het volle literaire leven. Het is een frontale aanval van Wolkers op het héle literaire bedrijf.

De openingszin: „Dit is dus de derde keer dat ik door een uitgever besodemieterd ben.” Eerst door uitgeverij Meulenhoff, toen door Elsevier en ten slotte weer door Meulenhoff. „Na alles wat ik de afgelopen jaren heb meegemaakt kan ik alleen maar zeggen: de uitgevers in Nederland zijn incapabele mensen. Ze deugen niet voor hun vak.”

Vervolgens ging de zweep over dat andere bête noire, de literaire kritiek. „Van enkele critici heb ik een archief opgebouwd. Alle stukken van zo’n man verzameld, niet alleen over mijn eigen boeken, ook over andere. Met aantekeningen erbij. De voortdurende tegenspraak aangetoond. De honderden stijl- en taalfouten aangestreept. Gigantische archieven (…) In de meeste kritieken overheerst de kwaadaardigheid, de rancune om het succes ook, en die wil ik wel eens afstraffen.”

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik dat destijds voor het eerst las. Ik zag Wolkers over die ‘gigantische archieven’ gebogen. Hij die als auteur zoveel succes en aanzien had, ook bij een groep gezaghebbende critici, waar maakte hij zich druk om? Het was inderdaad vreemd dat hij zelfs voor Terug naar Oegstgeest nooit een prijs had gekregen, maar eens zou de erkenning ook wel in de vorm van literaire prijzen komen.

Maar al in dit artikel laat hij weten: „Literaire prijzen zijn een farce in Nederland. Ik wens nooit voor een literaire prijs in aanmerking te komen. Ik vind het een degradatie.”

Het hoge woord was eruit – en hij zou zich er voorlopig aan houden. In 1989 weigert hij ook de PC Hooftprijs. Maar in 1991 accepteert hij toch de Busken Huetprijs voor zijn essays. Hij had de strijdbijl begraven.