Waarom zingen kanaries niet als ze in de rui zijn?

Willem (van Oranje) zingt niet meer. Sinds de kanarie van Marijke Immink uit Heerenveen in de rui is, is hij stil. Hoe zit dat?

Willem voelt zich vreselijk ellendig, zegt Theo Beerenfenger, secretaris van de Landelijke Speciaalclub Zangkanaries. De rui, de tijd waarin vogels oude veren verliezen en nieuwe veren krijgen, moet je vergelijken met een stevige griep. „Dat beestje heeft helemaal geen zin om te zingen.”

Een enkeling blijft er zelfs in. „Dan wordt het z’n dood”, zegt Beerenfenger. Vertroetelen dus, die kanaries. „Extra appeltje, sinaasappeltje.”

Vogelkeurmeester Alois van Mingeroet, auteur van Kleurkanaries kweken en tentoonstellen, noemt het najaar de stilste periode van het jaar. Bijna geen enkele vogel zingt in de rui, ook omdat ze dan niet zo mobiel zijn. „Met een rommelig vederpak kunnen kanaries niet goed door de lucht klieven”, aldus Van Mingeroet, van origine Belg. Om vijanden te ontwijken, blijven vogels liever stil zitten. Zónder te zingen.

Er is nog een reden. Met zang bakenen de mannetjes hun territorium af. Die behoefte vervalt na de ‘kweek’, zoals Van Mingeroet de broedperiode noemt. De kanarie – van oorsprong een kuddedier – hoeft in deze tijd van het jaar geen concurrenten te weren, en is dus stil.

Zingen doen mannetjes pas weer tegen de winter, aangesterkt en goed in de veren. Dan begint ook de zangcompetitie, zegt Beerenfenger, meervoudig winnaar van kanariezangwedstrijden. Omdat een vogel vooral ’s ochtends zingt, houden de deelnemers hun kanaries tot aan het begin van de wedstrijd in het donker, zodat ze meteen beginnen te fluiten als ze licht zien.

Een succesvolle zangkanarie is vooral een kwestie van kweken. Daar kan geen zangzaad tegenop. Henk Blokker, eigenaar van de gelijknamige dierenspeciaalzaak in Den Helder, verkoopt het wel, maar in feite is het gewoon kanariezaad met wat lekkere ingrediënten. De rui blijft een lastige periode, zegt Blokker: „Kippen leggen ook geen eieren. En mijn postduiven, die krijg ik met geen mogelijkheid de lucht in.”