Vogels, heiligen en portretten

Expositie: Willem van Konijnenburg. Schepper van de Ideale Schoonheid. In Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41. T/m 16 dec, di-zo 11-17u. Inl 070-3381111 & www.gemeentemuseum.nl

Zelf moet Willem van Konijnenburg altijd gedacht hebben dat hij één van de groten was. Hij vertegenwoordigde Nederland vaak op de Biënnale van Venetië, kreeg tal van belangrijke opdrachten. Maar dat zijn tijdgenoot Piet Mondriaan en niet hij nu de Nederlandse kunst in de eerste helft van de 20ste eeuw domineert, moet voor de religieus-mythisch aangelegde Van Konijnenburg een postume schok zijn die een kleine expositie in het Haags Gemeentemuseum en een monografie niet kunnen compenseren.

Vogels, heiligen en portretten maken duidelijk dat de Hagenaar Willem van Konijnenburg (1868-1943) sowieso liever in de renaissancetijd in Italië had geleefd. De eretitel ‘de Leonardo van de Lage Landen’ moet hem dan ook maar half genoegen hebben gedaan. Toch kon hij zich aan de moderne kunst niet helemaal onttrekken, net zo min als Jan Toorop met wie hij verwantschap heeft.

Op de expositie Schepper van de ideale schoonheid in het Haagse Gemeentemuseum kun je de worstelingen van Van Konijnenburg goed volgen. Puur Italiaans retro zijn de twee grote potloodtekeningen Donkere ruiters en Witte ruiters uit 1913, 1914. Het zijn jachttaferelen met stoere paarden en hun hoekige berijders. De achtergrond bestaat uit gotische architectuur. Op de voorgrond van Witte ruiters speelt het tegelpatroon een eigen leven als bij een geometrisch abstract schilderij van Mondriaan.

Zulke zelfde wiskundige patronen zitten onder de twee krijttekeningen van kraanvogels uit 1918. Hier wint de dynamiek van lijnen en vlakken het bijna van de voorstelling. Poten, vleugels en nekken wervelen door het beeld.

In de religieuze tekeningen en schetsen op de expositie is de dynamiek van de beweging zo overheersend dat ze de verder nogal traditionele voorstellingen veranderen in een momentopname van een gevoel. Er spreekt een kinderlijk, misschien wel middeleeuws, geloof uit in god en de verhalen uit de bijbel. Het zijn ontwerpen voor het drieluik Zacharia die hij namens het Nederlands Israëlitisch Genootschap maakte voor het stadhuis van Rotterdam.

In een vitrine ligt een schetsboek met kleine studies voor Zacharia. Hij heeft droeve ogen, houdt zijn handen zegenend en geruststellend hoog, haar als een aureool – in de schets bescheidener – en een snor en baard als een paar gestileerde stropdassen. Net als de paardrijders op de andere tekeningen is ook de profeet een heroïsch figuur. Zijn ingehouden kracht is op de tekening een boei van hoop op het agressieve gevecht op het rechter paneel, en de zoekende massa op het linker.

Uit iets latere perioden zijn op de expositie enkele portretten te zien waarin je oude meesters al Cranach en Holbein ziet doorschemeren. Ze gelijken vast goed, maar zijn vooral steriel. Het is jammer dat je niet in de schetsboeken mag bladeren, want je mag hopen dat Van Konijnenburg ooit loskwam van zijn klassiekers en de druk van de eigentijdse kunst. Een paar werken op de expositie tonen dat hij zulke momenten echt gehad moet hebben.

In het schilderij Overgave (1917) heeft Van Konijnenburg een eigen versie van het symbolisme neergezet. Overtuigend toont hij hoe een vrouw en haar donkere minnaar zich in een omarming aan elkaar overgeven. De plooien in zijn Egyptisch aandoende rok en de planten om hen heen zijn in grijstinten bijna als beeldhouwwerk gestileerd. Helder licht dringt zich uit de achtergrond op terwijl rechts een sprookjesachtig bokje met grote ogen de toeschouwer aankijkt. P.C. Boutens schreef in 1935 een gedicht over dit schilderij, met de regels:

„Ben ik in ’t eind niet meer dan dit?:

Dit wezen eenzaam in zichzelf beloken. Tot uw gereed bezit ?”