Mintz’ Paganini met te veel gekras

Shlomo Mintz, viool. 21/10 Concertgebouw Amsterdam.

Violist Shlomo Mintz viert zijn vijftigste verjaardag met een internationale tournee met Paganini’s 24 Caprices voor viool solo – de meesterproef voor elke violist en zelden integraal op één concert gespeeld.

Dat Mintz virtuoos én muzikaal Paganini kan spelen, was hier onder meer tien jaar geleden te horen, toen hij in Maastricht op de Guarneri-viool van Paganini zélf, bijgenaamd ‘il Cannone’, diens Eerste vioolconcert uitvoerde. Later heeft hij zich meermalen laten ontvallen dat het hem wat tegenviel en dat het leek alsof het legendarische instrument zich tegen hem verzette. Op de dvd van het concert, die onlangs bij Challenge Records verscheen, blijkt dit gelukkig behoorlijk mee te vallen.

Op zijn eigen Guarneri speelde hij gisteren in ieder geval minder overtuigend. De Caprices van Paganini zijn natuurlijk allereerst virtuoze showstukken, de parels in de kroon van de negentiende-eeuwse virtuozencultus. Maar van een vijftigjarige verwacht je dan toch dat hij er meer muziek in weet te vinden; dat hij tot een gebalanceerde, beheerste en genuanceerde uitvoering komt die aantoont dat het om méér dan het werk van een circusartiest gaat.

Weinig daarvan, helaas. Mintz leek die halve eeuw vooral aan zijn snelheid te hebben gewerkt. Zuiverheid en communicatie moesten het veelal ontgelden en vooral zijn toon: hele passages verwerden tot een supersonisch gekras in alleen nog metronomisch exacte zestienden. Muzikale hoofd- en bijzaken werden soms haast karikaturaal van elkaar gescheiden: de hoofdnoten met een volle klank, de rest ondergedompeld in de mist.

Slechts sporadisch liet Mintz de brede adem (nr. 6) en de stralende toon (nr. 11) horen waar hij verder geen tijd voor leek te hebben. Echt muziek maakte hij pas in de laatste Caprices: een gedreven nr. 22, ‘Marcato’, een gedetailleerde nr. 23, ‘Posato’, en zijn favoriet, de ook dankzij Rachmaninov beroemde nr. 24 – het thema met variaties in a klein, vol Paganiniaans vuurwerk.