Michael heeft nu wel een biertje verdiend

Ruim tien jaar lang bepaalde hij het gezicht van het Nederlandse wielrennen.

Hij deed waar hij als kind van droomde: uitblinken op de zwaarste momenten.

Tussen het geluid van ratelende helikopters, toeterende volgauto’s en schreeuwende toeschouwers hoort Michael Boogerd iemand een blikje koud bier opentrekken. Tssjjk. Hallucineert de koploper die hete juli-middag op de flanken van de Alpencol naar La Plagne, tijdens het slot van de zestiende etappe van de Tour de France 2002?

Nog geen twintig minuten later komt Boogerd na een solo juichend over de finish. De geboren Hagenaar maakt waar wat hij als jochie droomde in de Scheveningse duinen: hij wint een zware bergrit in de Tour. „Voor mij was toen mijn carrière af”, vertelt hij in zijn biografie Boogie, die op 21 november verschijnt.

Gisteren volgde op de Cauberg het definitieve einde voor het 35-jarige boegbeeld van het Nederlandse wielrennen. Tienduizend toeschouwers zagen Boogerd aan de zijde van broer Rini afscheid nemen in een koppelkoers met oud-renners als Alex Zülle, Johan Museeuw, Edwig Van Hooydonck, Erik Breukink en Theo de Rooij, en een aantal Nederlandse profs. „Superveel mensen, hartstikke mooi”, glunderde Boogerd na afloop. Zijn ereronde door Limburg, waar hij zo vaak schitterde in de Amstel Gold Race, verdrong het missen van de Ronde van Lombardije de dag ervoor. Ruim een week geleden blesseerde Boogerd bij een val tijdens de training zijn linkerknie. Daardoor kon hij niet starten in de klassieker waarin hij afscheid had willen nemen na veertien seizoenen als prof.

Naast La Plagne behaalde Boogerd nóg een memorabele ritzege in de Tour, bij zijn debuut in 1996, in Aix-les-Bains. Hij won de Amstel Gold Race, Parijs-Nice, Catalaanse Week (twee keer), Brabantse Pijl (twee keer), drie nationale titels, Milano-Vignola, Giro dell’ Emilia en een lange reeks ritten in meerdaagse koersen. In de grote klassiekers eindigde hij 33 keer in de toptien, waarvan veertien keer op het erepodium. Voor zijn beste eindklasseringen in de Ronde van Frankrijk hoeft hij zich evenmin te schamen: vijfde (1998), tiende (2001), twaalfde (2002 en 2007).

Tijdens de ultieme kilometers van zijn carrière, vlak na het al dan niet gedroomde blikje bier op La Plagne, voelt Boogerd de krachten in zijn lichaam terugkeren. In de slotkilometer denkt hij aan de kleine groep mensen die dicht bij hem staan. Zijn ouders, zijn broer en zijn vrouw.

Zij weten hoe het ooit begon met een wielerquizje in bed bij zijn ouders. De eerste koers in Houten op 1 juni 1980 (zesde en hevig teleurgesteld). Het vertrouwen van zijn vader („blijf aanvallen jongen”), zijn zeer getalenteerde broer als idool. De dag dat hij, veertien jaar, besloot om zijn leven in het teken te stellen van wielrennen. Altijd meer doen dan een ander, dat werd zijn recept.

De bondscoaches Egon van Kessel (junioren) en Piet Kuijs (amateurs) stoomden hem klaar voor de profs. In de ploeg van Jan Raas vielen de eerste twee jaar hem bar tegen. Spanjaarden en Italianen schoten hem in de bergen, zijn favoriete terrein, voorbij. ‘Patatgeneratie’, luidde het oordeel over de jonge Nederlandse renners.

Tot in 1996 Rabobank kwam als sponsor. Ploegarts en trainer Geert Leinders bracht lijn in Boogerds profcarrière. Het fanatisme van de Deense kopman Rolf Sörensen deed de rest. In de jaren die volgden, bestormde hij de wereldtop. „Boogerd was in 1999 de beste renner ter wereld”, zei Lance Armstrong, die dat jaar zijn eerste Tourzege behaalde.

Altijd bleef Boogerd onzeker. „Ik heb een strotje staan”, was zijn bekende uitspraak over zogenaamd opkomende keelpijn in de aanloop naar een belangrijke wedstrijd. Mike denkt dat hij iets mankeert dus zit het wel goed, wist zijn naaste omgeving in zulke gevallen. „Mijn twijfel is mijn kracht”, concludeerde hij dan zelf.

Maar het succes kende een keerzijde. Lange tijd was hij als enige Nederlandse renner in staat om een hoofdrol te spelen in grote wedstrijden. Met alle druk van dien. De dramatische Tour van 1999, waarin de ploeg vertrouwensman Leinders op het laatste moment thuis liet uit angst voor Franse dopingjagers, liet diepe sporen na. Zijn grenzeloze gedrevenheid leidde tot fysieke en mentale problemen in de jaren daarna.

Voordat hij in de glorieuze slotkilometer op La Plagne aan zijn familie denkt, schiet er nog iets door zijn hoofd. „Nu heb ik alle journalisten tuk.” Hoe bewonderend zijn critici nu ook zijn, Boogerd zal niet gauw vergeten hoe hij jaren is miskend. Hij heette te nerveus, eeuwige tweede (net als wereldkampioen en Tourwinnaar Joop Zoetemelk), zou tactische fouten maken en reed zogenaamd te onstuimig. Ereplaatsen werden hem aangerekend als nederlaag.

Zelf ziet hij het anders. Als je niet beschikt over een eindsprint, moet je wel aanvallen. En helaas miste hij in de eigen ploeg vaak de onvoorwaardelijke steun, die hij zijn ploeggenoten in voorkomende gevallen wel gaf. Als hij zichzelf iets kan verwijten, is het dat hij nooit hard genoeg met de vuist op tafel heeft geslagen om het kopmanschap op te eisen.

Maar dan nog. In veel wedstrijden heeft hij kunnen doen waarvan hij als jochie droomde: aanvallen, beslissend zijn voor het koersverloop, uitblinken op de zwaarste momenten. Als ouderwetse liefhebber koerste hij elk jaar van Mallorca in februari tot Lombardije in oktober. Het leverde hem mooie zeges op en nog veel meer ereplaatsen. Hij bepaalde ruim tien jaar lang het gezicht van het Nederlandse wielrennen.

Michael Boogerd heeft wel een koud biertje verdiend.