Meneer Wolkers

Terwijl Ruud van Nistelrooy vanaf het veld losjes de tribune beklom, schuifelde Jan Wolkers de poort van Vak 105 van de Arena binnen. De schrijver droeg een blauw Kappa-trainingsjack met ‘ITALIA’ erop.

Ruud: ‘Dag meneer Wolkers, ik ben Ruud.’ Meneer Wolkers en Ruud schudden elkaar de hand.

‘De geniale Brabander, de geniale Brabander’, zei Jan Wolkers.

Ruud van Nistelrooy lachte verlegen en repeteerde in zijn hoofd alvast het rijtje bekende titels, alsof hij iedere minuut overhoord zou kunnen worden. Het zweet van de training bleef nog even op zijn voorhoofd staan.

Het was een mooi plannetje voor Jan Wolkers. Nu hij de oversteek weer eens waagde vanaf Texel, was een afspraakje geregeld met een van zijn lievelingsvoetballers. Het Nederlands Elftal, al geplaatst voor het WK in Duitsland, trainde op die oktobermiddag in 2005 in Amsterdam.

‘Hij heeft het instinct om daar te staan waar de bal komt, hè. Ik weet niet, het lijkt net of ie ’m betovert, hè. Hij is echt spits nummer 1’, zei Wolkers.

Of Ruud van Nistelrooy bekend was met het werk van Wolkers, was een vraag van een van de toegestroomde journalisten.

‘Eh… Turks Fruit.’ Jan Wolkers keek of hij die titel voor het eerst hoorde. ‘Ja, Turks Fruit!’ Hij was van plan om zijn voetbalheld op allerlei manieren te helpen. ‘Kort Amerikaans’, zei de schrijver voor.

Daar was Ruud weer: ‘Terug naar Oegstgeest.’ ‘Ja, heeft Theo van Gogh heel goed verfilmd.’

Ruud kreeg de smaak te pakken: ‘Een roos van vlees.’

Ik stond erbij en genoot van iedere zin. Ik maakte een paar mi nuten historie mee. Schrijver ontmoet spits. De sport werd ontdaan van de kortademigheid van alledag.

‘Aan mij heb je niets in Duitsland, ik ben uitgeschakeld’, zei Wolkers.

Hoe win je van de Duitsers, was een vraag.

Wolkers deed zijn hoofd schuin omhoog, de mond een beetje open.

‘Eh….’

Achter de brillenglazen tuurden de ogen naar de wolken. Het was opeens doodstil. Iedereen wachtte op het antwoord. Ruud ook. De seconden tikten voorbij. Een bondscoach was allang gaan wauwelen. Wolkers niet.

Hij leek te graven in zijn verleden als sportliefhebber. Zag hij een bal tegen een muur kaatsen in de buurt van de winkel van zijn vader in Oegstgeest? Dacht hij aan de kale kop van de Duitse spits Uwe Seeler of aan het vorstelijke voorkomen van verdediger Franz Beckenbauer in 1974?

‘Misschien moet je Patton in de verdediging hebben.’

Generaal Patton. De Amerikaanse generaal die het Ardennenoffensief leidde aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Was Jan Wolkers in die tien stille seconden in zijn eentje terug in oorlogstijd gevlogen.

De kromme hand pakte de lange jonge vingers langdurig beet.

‘Tot ziens. Ik zal je wat boeken sturen. Ik hoop dat je een glansrol speelt.’ Ruud: ‘Hoop ik voor u ook.’ Wolkers: ‘Ach, bij mij is de glans er een beetje vanaf.’

In het busje terug naar het centrum van Amsterdam benadrukte Wolkers nog eens hoe aardig hij Ruud vond. ‘Leuke jongen. En één van de beste spitsen van de wereld.’

‘Weet je wie ik ook zo goed vind? Eh… Karina, help eens. Die mooie jongen met die wapperende haren…’ Karina: ‘Bedoel je Nedved?’ Wolkers: ‘Ja, met die blonde manen, prachtig…’

Ik zat achter meneer Wolkers die naar buiten keek. Amsterdam gleed voorbij. De Amstel, Artis. Ik zag hoe de witte krans van dun krulhaar versmolt in het lage zonlicht waar het busje recht op afreed.