Meer invloed opkomende landen in IMF

Opkomende industrielanden als China, India en Brazilië krijgen geleidelijk meer invloed binnen het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

De ministers van Financiën en de centralebankiers die afgelopen weekend bijeen waren hebben beperkte vooruitgang geboekt in de discussie over een herverdeling van het stemrecht van landen binnen het IMF, dat van oudsher wordt gedomineerd door de Verenigde Staten en de Europese landen. Afgesproken is om te werken aan een formule waarin de stem van de opkomende economieën zwaarder weegt, maar die ook recht doet aan kleinere landen.

Eventuele veranderingen in de stemverhoudingen zullen overigens in een zeer traag tempo worden doorgevoerd. Gezien de lage verwachting vooraf aan de bijeenkomst noemde minister Bos van Financiën het resultaat toch „een stap vooruit”.

IMF-directeur Rodrigo de Rato stelde na afloop van de IMF-vergadering dat de wereldeconomie zich tot dusverre goed houdt, maar dat er „serieuze risico’s” zijn voor de economische groei als gevolg van de kredietcrisis die deze zomer woedde. Veel in Washington aanwezige bankiers, onder wie die van de Nederlandse Rabobank, uitten hun twijfels over het vorige week gelanceerde Amerikaanse plan om een ‘superfonds’ op te richten van 75 miljard dollar, waarin moeilijk verkoopbare beleggingen in Amerikaanse hypotheken kunnen worden ondergebracht.

President Wellink van De Nederlandsche Bank benadrukte dat de kredietcrisis nog niet over is. Binnen het IMF en G7 is afgesproken dat het zogenoemde Forum voor Financiële Stabiliteit, een werkgroep die de financiële markten in de gaten houdt, in januari met aanbevelingen komt voor maatregelen die een herhaling moeten voorkomen.

De Braziliaanse minister van Financiën Guido Mantega noemde het ironisch dat de westerse landen die zichzelf altijd het toonbeelden vonden van behoorlijk bestuur, nu zodanige problemen hebben veroorzaakt dat zij de rest van de wereldeconomie in gevaar brengen.