Hij is een wolk: groot, machtig en zo zacht

Een vriend belde net, vrijdag, 1 uur Surinaamse tijd. Jan Wolkers is dood, zei hij. Maar die is toch onsterfelijk, zei ik. Ja, maar nu is hij toch zomaar overleden in zijn slaap.Ik werd er somber van. Via Google zocht ik op hoe oud Carlos Santana nu was. Gelukkig, hij is maar zestig. Santana is voor mij onlosmakelijk verbonden met Wolkers. Turks Fruit las ik terwijl ik op mijn platenspelertje Abraxas van Santana had opstaan. Kant 1, en mijn speler was een automaat, als hij tegen het eind van de plaat kwam, begon hij opnieuw. Ik lag op mijn buik op mijn bed in mijn kamer in Paramaribo, Turks Fruit tegen het kussen, en Santana maar loeien. Ik vond Abraxas wel passen bij Turks Fruit. Ze zijn beiden erotisch, broeierig, pijnlijk, onthutsend en larmoyant. Zo ongeveer als Suriname zelf. Turks Fruit, Santana en Suriname passen bij elkaar.

Mijn exemplaar van Turks Fruit had ik gestolen uit de boekhandel van Kersten, aan de Domineestraat in Paramaribo. Ik was zo onder de indruk van het omslag, dat ik het boek in mijn rechtersok stopte. Ik vind het stelen van een boek zoiets als een mensenrecht, zoals het stelen van een brood als je honger hebt. Twee broden mag je niet stelen, eentje wel. Abraxas had ik niet gestolen, een langspeelplaat past niet in je sok en bovendien is het stelen van muziek geen mensenrecht.

Toen de verfilming van Turks fruit in Suriname te zien was, was ik teleurgesteld. Ik had Santana’s Abraxas als muziek verwacht, en ik kreeg Toots Thielemans. Ook mooi, maar een beetje gepolijst.

Ik weet nog dat ik te jong was, de film was boven de achttien, en ik ging er naar toe met een vriend. We hadden vellen toiletpapier in onze schoenen gestopt om langer te lijken. Mijn vriendje werd bij de deur tegengehouden door een suppoost. Hij voelde zijn wangen en zei: je wangen zijn te zacht voor deze film, ga naar huis.

De volgende dag probeerden we het weer, nu zelfs zonder vellen toiletpapier, en het lukte.

Heel veel jaren later kreeg ik van de krant de opdracht een stuk te schrijven over een literaire tentoonstelling van Jan Wolkers in Leiden. Het was een vreemde opdracht, als allochtoon werd ik niet meteen geassocieerd met Jan Wolkers, ik was meer het type van V.S. Naipaul en zo. Maar we hadden toen een erg creatieve kunstredacteur die de raarste combinaties bedacht: van wie zou je nou geen stuk verwachten over Jan Wolkers? Van mij dus.

Ik ging naar de tentoonstelling en wist meteen dat ik hier niet over zou kunnen schrijven. Simon Carmiggelt zei ooit dat de echte grote schrijver kan schrijven over een inktpot. Over niets, als het ware. Zo’n schrijver ben ik niet, en ik verzon een list: maak een interview met Jan Wolkers, dan heb je tenminste wat materiaal. Ik belde, en Wolkers vond het wel vermakelijk, zo’n exotisch joch uit Suriname dat hem wilde interviewen. Kennen ze Wolkers in Suriname, vroeg hij. Nou, en of, jokte ik. Op een dinsdag moest ik naar Texel komen, en neem al je vrouwen en al je kinderen mee, zei hij. Ik had maar één vrouw en twee kleine kinderen. Dat ging wel in de Opel die we toen hadden.

Zijn huis zou ik herkennen aan de oude Volvo die voor de deur zou staan. En inderdaad, hij scheen de enige Volvo te hebben op Texel.

Ik was een beetje bang dat mijn kinderen zich zouden vervelen tijdens het interview. Het omgekeerde was waar. En omgekeerd is precies zoals ik het bedoel: er was geen interview en ik zou me behoorlijk hebben verveeld als zijn bloedmooie, bloedaardige vrouw Karina er niet was geweest die mij en mijn vrouw glaasjes cider schonk, terwijl Jan Wolkers met mijn kinderen in de tuin waren. Ik zag ze door het grote raam van zijn prachtige woning, hij gaf hun een biologieles over die prachtige slakken en onkruidbloemetjes. Mijn kinderen keken gefascineerd naar de natuur, zoals hij gefascineerd was door de natuur. Het was hun laatste interessante biologieles, want ik heb helemaal niks met de natuur, als rechtgeaard tropenmens.

Toen ze terugkwamen dacht ik dat het interview zou kunnen beginnen, maar eerst moest Jan Wolkers naar het voetballen kijken. Rare gewoonte, voor zo’n begaafde man, dacht ik. Hij had wel meer rare gewoonten: hij hield van koken en we moesten zijn preisoep proeven. Daar was hij een uur lang druk mee, en gelukkig was Karina er om ons bezig te houden. Toen kwamen zijn jongens Bob en Tom thuis en die namen mijn kinderen naar boven, en gaven hun speelgoed mee waar ze zelf te oud voor waren. Typisch zonen van Jan en Karina.

Ik geloof dat ik hem maar twee of drie vragen heb gesteld tijdens het eten. Maar hij wilde meer van mij weten dan ik van hem, leek het. Of ik die taal kon spreken van Suriname, hoe heet dat beschaafd tegenwoordig, zei hij terwijl hij over zijn buik krabde, het is niet meer negerengels toch? Nee, het is nu Sranang-tongo.

Of daar ook literatuur in geschreven was. Ja, alleen heel slechte. En of het door iedereen wordt gesproken, de echte lingua franca is? Nee, zei ik, jongens spreken sranang met elkaar, maar niet tegen vrouwen, want dat is onbeleefd. Dat vond Wolkers een interessant gegeven.

Onderweg naar huis besefte ik dat ik geen interview had gehad. Maar op de veerboot zei mijn zoon dat hij het zo leuk had gehad bij meneer Jan de Wolk. Zo besloot ik mijn artikel in de krant: hij is een wolk, een cumulonimbus: groot, machtig, en zo zacht.

Anil Ramdas

ramdas@nrc.nl