Henk Badings is nog steeds sterk omstreden

Concerten: Licht op Badings. Gehoord: 20/10 De Doelen, Rotterdam.

Is zijn muziek, zijn gedrag tijdens de oorlog, of een ‘normaal’ proces van vergeten raken de reden dat we bijna nooit meer iets van componist Henk Badings (1907-1987) horen? Met die vraag worstelden publiek, musicologen en historici tijdens het driedaagse festival ‘Licht op Badings’ in De Doelen.

Eén ding staat vast: na de Tweede Wereldoorlog verdween Badings niet abrupt van het muzikale toneel. Na een korte opgelegde onderbreking bleven compositieopdrachten en –prijzen hem uit binnen- en buitenland rijkelijk toekomen. Er waren wel schandaaltjes vanwege zijn verleden, maar zijn echte ‘verdwijning’, vanaf de jaren zestig, liep vooral parallel met die van veel minder omstreden generatiegenoten.

Niettemin bleef Badings’ rol tijdens de oorlog – vol ‘keuzes die niet voor hem pleiten’, aldus Frits Zwart, directeur van het Nederlands Muziekinstituut, hem aankleven. Badings was ondermeer lid van de Kultuurkamer, aanvaardde een kunstprijs van de bezetter en volgde de ontslagen jood Sem Dresden op als conservatoriumdirecteur. Maar hij behoedde Dresden voor verder leed. Een complexe geschiedenis dus, die Badings zelf tot taboe verklaarde, waarmee hij de twijfel voedde.

Zwart riep op hier een streep onder te zetten en Badings’ muziek los van zijn verleden te beschouwen. Historicus Hans Blom, oud- directeur van het NIOD, was het daar niet helemaal mee eens. Volgens hem moeten we juist via beschouwing van de historische omstandigheden tot een reëler begrip blijven proberen te komen.

Badings’ noten werden uitgevoerd door toegewijde musici. In het grillige maar spectaculaire Tromboneconcert (1986) etaleerde Jörgen van Rijen dankbaar zijn kunnen in allerlei effecten. Vooral in de grauwere octotonische passages klonken echter ook de Badings’ soms zo typerende gemakzucht en naargeestigheid.

Dat dubbele hadden ook beide werken die dirigent Arie van Beek bracht met zijn Orchestre d’Auvergne. Zéér gelijkaardig klonken het Altvioolconcert (1965) en de Symfonie nr. 9 (1960), met Bartókiaanse allegro’s, en adagio’s die sterk aan Sjostakovitsj deden denken. De muziek is steeds vakkundig georkestreerd, met uiterst sfeervolle momenten en moderne technieken – zoals orkestbrede glissando’s – die op vrij natuurlijke wijze in het geheel passen. Maar ook vol ritmische banaliteiten, opvulpassages en resolute gebaren, net iets te hardnekkig herhaald.

Het orkest liet horen dat Badings het beste in musici boven kan brengen. Maar een streep onder het verleden? Daarvoor is het te moeilijk om zijn muziek als tijdloos te horen.