Een leuk telefoongesprek over medicijnen, ziektes en nestvogeltjes

Over de doden niets dan goeds, maar over sommige doden meer goeds dan over andere. Hoe kun je ook iets niet-goeds bedenken over Jan Wolkers, witharige, vriendelijke, grappige, rimpelige, heel vaak ‘hè?’-zeggende, lieveheersbeestjesvererende oude man? Dat kan niet en dat hoeft ook niet.

Ik deed in februari een interview met Wolkers voor Libelle. Het leek Libelle leuk om een jonge schrijfster (ik) te laten praten met een oude schrijver (Wolkers), en dat leek mij ook leuk, al vond ik het uitgangspunt ietwat gênant om door de telefoon aan hem uit te leggen. Maar toen bleek dat wij op dat moment allebei een antibioticakuur deden, kregen we al snel een leuk telefoongesprek over medicijnen, ziektes en nestvogeltjes.

Wolkers wilde weten op welke leeftijd ik het huis was uitgegaan – geen idee hoe we op dat onderwerp kwamen, maar we hadden allebei koorts, dus misschien waren we aan het ijlen – en toen ik vertelde dat dat op mijn achttiende was, zei hij: ‘Dat is heel goed, anders was je zo’n nestvogeltje geworden met van die kleine veertjes.’ Zo had ik er nog nooit tegenaan gekeken, maar als de goeroe van de achtertuin het zei, dan zou het wel waar zijn.

Het interview, in Wolkers’ waanzinnige huis, waar zijn vrouw Karina alle dranken en spijzen die er op Texel verkrijgbaar waren voor mij op tafel had neergezet, verliep genoeglijk. Niet dat ik precies de goede vragen stelde, want ik vermeed twee belangrijke onderwerpen: seks en de dood. Seks omdat je daar met een oude man niet over praat, en de dood omdat je daar met een oude man niet over praat.

Na het urenlange interview was ik afgepeigerd door het vermijden van al die onderwerpen, en omdat Wolkers heel langzaam praatte. Maar ik wist toen al dat het een belangrijke middag in mijn leven was geweest. Dat was ook niet zo moeilijk om te bedenken.

Ik ging ervan uit dat Wolkers ook erg moe was, en waarschijnlijk meteen naar zijn bed (dat hij me had laten zien) zou gaan als ik weg was. Maar de zon was gaan schijnen, en toen we met zijn drieën in hun gouden Volvo stapten om mij naar de veerboot te brengen, zei Karina: „Jan, dan gaan we straks nog even lekker rondrijden.” Hij veerde op en zei enthousiast ja. Die gaat nog lang niet dood, dacht ik.

Aaf Brandt Corstius

Lees alle columns van Aaf op www.nrc.nl/aaf