Dokter op patrouille

Schrijver Arnon Grunberg reist voor de tweede maal door Afghanistan met de Nederlandse troepen daar. Deel tien in een serie.

„Als je het telefoonboek zou voorlezen in Sorkh Murghab zou er na een kwartier niets meer van je over zijn dan je bril”, zegt een officier tegen me.

Nabij het dorp Sorkh Murghab zijn we neergestreken om de inwoners medische assistentie te bieden. Veldbedjes worden uitgeklapt, de dokter stalt zijn medicijnen uit en daaromheen staan de gepantserde voertuigen gereed om de vijand uit te schakelen.

De dokter vloekt. We staan ver van het dorp, want dichterbij was gezien de veiligheidssituatie onverantwoord. Hoe kunnen gewonden, die hier veelal vervoerd worden in een kruiwagen, nu ruim een kilometer over een hobbelig veldje worden getransporteerd?

Het PSYOPS-voertuig gaat het dorp in. PSYOPS is Psychological Operations Support Element. Ik vermoed dat de tolk in de wagen roept: „Inwoners van Sorkh Murghab, kom naar onze dokter om beter te worden.” Of woorden van soortgelijke strekking.

De inwoners van Sorkh Murghab hebben geen zin om beter te worden.

Er wordt besloten een voetpatrouille te organiseren naar het dorp. Misschien helpt dat.

Ik mag met de patrouille mee. Niels zegt: „Als ik spring, spring jij ook. Als ik ren, ren jij ook. En als ik je hardhandig op de grond duw, moet je niet verbaasd zijn.”

Aan het begin van het dorp zit een familie op hun veldje.

We schudden ze de hand.

„Waarom komen jullie niet naar de dokter?” vraagt een majoor.

Het blijkt dat ze voor ons gewaarschuwd zijn. Bovendien vinden ze dat we met onze zware voertuigen hun veld kapotmaken.

We gaan naar de tweede familie, een stuk verderop.

„De Taliban vechten alleen als ze zin hebben te vechten”, zegt Niels.

Ik kan ze geen ongelijk geven.

Uiteindelijk zullen in vier uur tijd tien mensen op onze medische assistentie afkomen, het merendeel kinderen. Een van hen bleek klachten te ‘faken’.

Een jongetje van vier zit op een tafel. Hij had pokken en de huid rondom zijn enkels is opengekrabd.

De concentratie waarmee zijn wonden worden verzorgd is ontroerend.

„En de vervolgbehandeling?” vraag ik aan de dokter.

„Hij is alleen gekomen,” zegt de dokter. „Ik geef hem iets mee, maar het is de vraag...”

Ik begrijp de dokter en zijn melancholie.

En terwijl ik naar het jongetje kijk weet ik het heel zeker: of we nu weggaan of over tien jaar, als wij vertrekken zal het zijn alsof we hier nooit waren geweest.

Misschien dat een enkel kind zich de woorden ‘alles goed?’ zal herinneren.