Beter Europees verdrag

Een zeteltje meer voor Italië in het Europees Parlement, wat meer hindermacht voor Polen en andere lidstaten, Oostenrijk mag nog vijf jaar langer Duitse studenten van zijn universiteiten weren. En Bulgarije mag op zijn cyrillisch de evro invoeren in plaats van de euro. Wie dwarslag op de Europese top over een nieuw verdrag voor de Europese Unie, kreeg vorige week zijn zin.

Na zes jaar onderhandelen en twee jaar na het Franse non en het Nederlandse nee tegen een eerder voorlopig akkoord, is er niettemin een belangrijke stap gezet op weg naar een nieuw Europees Verdrag. Ongetwijfeld met het nodige ceremonieel vertoon zullen de regeringsleiders op 13 december in Lissabon het verdrag ondertekenen. Zoals ze dat op 25 oktober 2004 in Rome ook al plechtig deden onder het verdrag waarover ze toen overeenstemming hadden bereikt. Achteraf bleken de handtekeningen van de Nederlandse premier Balkenende en de Franse president Chirac niet veel waard.

Ook nu moet worden afgewacht of alle 27 lidstaten, van Duitsland tot Malta, van Spanje tot Cyprus, voor de ratificatie toestemming geven. Pas als dat is gebeurd, is er een nieuw Europees Verdrag. Het helpt alvast dat premier Brown heeft aangekondigd dat er in het Verenigd Koninkrijk geen referendum over zal worden gehouden.

De wijzigingen die enkele lidstaten bij de top in Lissabon hebben bedongen, zijn voor binnenlands gebruik wellicht handig of nuttig om het verdrag aanvaard te krijgen of om kort voor verkiezingen – gisteren in Polen – nog een succes te kunnen tonen. Inhoudelijk zijn ze van weinig betekenis. In mindere mate gold dat ook al voor de goeddeels cosmetische veranderingen ten opzichte van de Europese ‘grondwet’ die lidstaten als Nederland na de top in juni in Brussel luidkeels bezongen.

Relevanter is de vergelijking waar het per saldo om gaat: de verschillen met het nu vigerende Verdrag van Nice uit 2000. Die vergelijking pakt ruimschoots in het voordeel van het nieuwe akkoord uit. De Europese Raad van Regeringsleiders krijgt een vaste voorzitter, de Commissie wordt verkleind, het Europees Parlement krijgt meer invloed en de lidstaten minder mogelijkheden om een veto over meerderheidsbesluiten uit te spreken. Zo bezien wordt de EU democratischer én doelmatiger, een niet vanzelfsprekende combinatie. Dat was hard nodig nu in vijftien jaar het aantal lidstaten meer dan verdubbeld is en deze groei vermoedelijk nog niet ten einde is.

Of het nieuwe verdrag meteen een einde maakt aan de „vertrouwensbreuk” ten opzichte van Europa, die minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) en staatssecretaris Timmermans (Europese Zaken, PvdA) vorige maand in hun Staat van de Europese Unie bij de meerderheid van de Nederlandse bevolking signaleerden, valt te betwijfelen. Interessant is wel dat het nieuwe verdrag het anders dan nu mogelijk maakt voor lidstaten om uit de EU te stappen. Ze kunnen ermee dreigen. Maar ook op deze mogelijkheid worden gewezen. Dat zal de psychologie op toekomstige Europese topbijeenkomsten veranderen. Dwarsliggen wordt lastiger.